Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Welkom
.... Over de vereniging
     ... Geschiedenis
.... Contact
.... Sitemap
.... Links
 
Doorbraak, personalisme, socialisme

De geschiedenis en actualiteit van drie politiek-ethische leerstukken

Is Wouter Bos een personalistisch sociaal-democraat?. Dit was het thema van een gemeenschappelijk weekend in mei 2005 in het Woodbrookershuis in Barchem van de Vereniging voor Zingeving en Democratie en de Vereniging Woodbrookers Barchem.

De filosoof en jurist Rutger Claassen hield daar onderstaande inleiding.

"Als 26-jarige voel ik me enigszins in verlegenheid gebracht ten overstaan van zoveel historie, hier in persoon en gebouw aanwezig. Het is een onverwachte uitkomst van een min of meer toevallig kennismaking, twee jaar geleden, met Willem Bannings boek De Dag van Morgen, een geschrift dat nu door bijna iedereen als ouderwets wordt afgedaan, maar dat mij zeer intrigeerde. Vandaag wil ik u enkele gedachten van mijn kant voorleggen omtrent drie kernthema’s van Bannings gedachtegoed en deze koppelen aan drie politiek en maatschappelijk actuele thema’s. De doorbraak koppel ik aan het debat over multiculturalisme, het personalisme aan het debat over normen en waarden en de zedelijke grondslagen van het socialisme aan het debat over solidariteit en verzorgingsstaat. Telkens zal ik proberen te laten zien in hoeverre Bannings gedachten waarde hebben in onze eigen worstelingen met deze thema’s.

1. Doorbraak & multiculturalisme

Als reactie op het bisschoppelijk Mandement dat de katholieken opriep toch vooral in de moederschoot van de KVP te blijven, schreef Banning in 1954 in Ons Socialisme:

‘Op levensbeschouwelijk gebied heeft de PvdA een oplossing gevonden, die enerzijds een confessionele basis als politieke organisatievorm radicaal afwijst en anderzijds aan een confessionele fundering van sociale en politieke idealen volledig ruimte geeft. Het blijft zelfs voor geestelijk hoogstaande en verantwoordelijke personen nog steeds moeilijk deze oplossing naar haar bedoeling te verstaan.’

Voor ons vandaag de dag lijkt het nog steeds even moeilijk om deze doorbraakgedachte te vatten. De tweeledigheid ervan verbaast nog steeds. Vaak wordt de Doorbraak uitsluitend met het eerste element geassocieerd: het een tehuis bieden aan levensbeschouwelijk verschillend geïnspireerden die elkaar vinden op een gemeenschappelijk programma. Dat begrijpen we goed: bijvoorbeeld geen Arabische Liga in Nederland, maar moslimparticipatie in de bestaande partijen. Maar het tweede element, het tegelijkertijd ook een plaats geven aan die levensbeschouwing in de politiek, wekt meer verbazing. De betekenis van dit tweede element blijkt bijvoorbeeld in de doorbraakvisie op de staat, die volgens Bannings visie niet neutraal kon zijn maar zich ‘medeverantwoordlijk stelt voor het beste geestelijk erfgoed van ons volk en gebonden is aan zedelijke normen’, iets dat hem het verwijt opleverde dat hij een theocratie wilde stichten. Maar we vinden het ook terug in de organisatie van de politieke partij, die plaats moet geven aan werk van haar leden op religieuze grondslag: ‘De partij waardeert het in haar leden als zij [het verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht] in hun politieke arbeid duidelijk doen blijken; daarom waardeert zij binnen haar organisatie de arbeid van werkgemeenschappen op grondslag van de levensovertuiging.’ (Beginselprogramma 1959)

Kan dit vandaag de dag nog iets betekenen, in de aan Banning volledig onbekende multiculturele samenleving? De handschoen is al opgenomen, zo zag ik de website van de Vereniging Zingeving.net, die oproept tot een ‘Nieuwe Doorbraak’, waarmee zij

‘moslims in Nederland aanmoedigen om te participeren in de politiek en in de publieke sfeer in het algemeen. En wel – wanneer dat relevant is – als moslims. Dat deel van de identiteit moet niet worden verzwegen. En ook omgekeerd: politieke partijen moeten moslims ook als moslims aanvaarden.’

Ik sta sympathiek tegenover deze oproep, maar juist daarom zou ik willen wijzen op de verschillen tussen toen en nu, tussen 1945 en 2005. Twee verschillen springen in het oog. Ten eerste kunnen we stellen dat Bannings oproep voor een doorbraak goed werkte omdat ieders standpunt over de destijds politiek relevante onderwerpen niet dwingend door de levensbeschouwelijke achtergrond werd gedicteerd. Simpel gesteld: de relevante onderwerpen waren grotendeels sociaal-economisch (wederopbouw, privaateigendom, opbouw van de verzorgingsstaat, ordening van bedrijfstakken) en daar deed en doet de Bijbel geen dwingende uitspraken over. Een katholiek of protestant kan daar een liberale, socialistische of corporatistische visie op hebben, en deze visie telkens als compatibel met zijn geloof beschouwen.

Nu echter zien we dat verschillen in levensbeschouwing zélf politiek relevante onderwerpen zijn geworden. Eerwraak, gescheiden zwemles van jongens en meisjes, de hoofddoek, opvattingen over homoseksualiteit, spreidingsbeleid op scholen etc. etc. Deze opmerkelijke verschuiving van de politieke agenda gaat samen met een tweede verschil: waar levensbeschouwelijke verschillen in Bannings tijd door de verzuiling konden worden opgevangen in eigen kring (men kwam dus simpelweg niet in aanraking met andere gewoonten en gedragingen), biedt de mainstream van onze ontzuilde maatschappij krachtige weerstand aan het ontstaan van een nieuwe moslimzuil, en accepteert niet dat islamitische gewoonten die zij als problematisch beschouwt in de privé-sfeer blijven: deze worden onderwerp van publiek debat.

Levensbeschouwing is daarmee niet meer politiek neutraal. Politieke participatie op levensbeschouwelijke gronden moet gegeven deze verschillen niet alleen anders van toon en aard zijn, maar onvermijdelijk ook veel moeizamer. Elke partij moet standpunten formuleren op bovengenoemde terreinen en daarmee kleur bekennen. Dat zal altijd sommigen van haar leden tegen de levensbeschouwelijke borst stuiten. Binnen deze nieuwe constellatie ligt de vorming van partijen op levensbeschouwelijke grondslag daarom, meer dan destijds, voor de hand. Alleen een politiek die deze duivel weer terug in de fles kan krijgen door de levensbeschouwing weg te houden uit het publieke domein, kan die trend keren. Maar aangezien de strijd nu juist gaat over de compatibiliteit van allerlei gedragingen met onze publieke normen van rechtsstaat, democratie, grondrechten, gelijkheid; en dus over de interpretatie van die publieke normen voor iedereen; zal dat uiterst moeilijk zijn. Maar misschien kunnen we tijdens de discussie iets meer over de ervaringen met de Nieuwe Doorbraak horen? Ik zou daar in elk geval nieuwsgierig naar zijn.

2. Personalisme en normen en waarden

Het personalisme zie ik als een poging tot een antwoord op de ook vandaag de dag – en waarschijnlijke eeuwig – actuele vraag naar de verhouding tussen individu en gemeenschap, en nauw verwant, de verhouding tussen vrijheid en rechtvaardigheid. Banning schreef:

‘Ons type van socialisme is onverbrekelijk verbonden met de vrijheidsgedachte, waaraan vorm wordt gegeven in een nieuw gemeenschapsleven. De mens is een polair wezen: een eigen individualiteit met eigen persoonlijke waarde en persoonlijk doel, met een behoefte aan persoonlijke levensverhoudingen (in vriendschap, gezin, arbeid en maatschappij); hij is lid van een gemeenschap (...) en leeft uit uit gemeenschapsverhoudingen. Zonder gemeenschap is zijn leven inhoudsloos, terwijl de gemeenschap zonder persoonlijkheidserkenning tot blinde tyrannie ontaardt.’ (Banning in ‘De geestelijke achtergrond van het socialisme’)

Wat in dit citaat en talloze passages uit De dag van Morgen opvalt, is niet alleen de principiële weigering om één van beide polen (individu of gemeenschap, vrijheid of rechtvaardigheid) op te geven, maar ook en vooral de poging om telkens de betekenis van de ene pool in termen van de ander te verklaren en uit te leggen. Het gaat er dus niet alleen om de gelijke waarde van beide – individu en gemeenschap – te benadrukken, maar ook om de onderlinge verwevenheid en afhankelijkheid: geen persoon zonder gemeenschap, geen gemeenschap zonder personen. Voor wie dit echt tot zich door wil laten dringen, verdwijnt de eeuwige vraag naar de prioriteit dan als sneeuw voor de zon. Daarom lijkt het mij – in tegenstelling tot wat velen beweren – dan ook niet in tegenspraak met deze principiële gelijkwaardigheid van persoon en gemeenschap dat Banning de verhouding wel op scherp zet door te stellen dat de persoon een plicht heeft tot dienstbaarheid aan de gemeenschap. En ook al zegt Banning dat een dergelijke plicht ‘een stuk rijkdom voor elk mensenleven’ vertegenwoordigt (In: Ons Socialisme), dergelijke woorden horen we liever niet: ze zijn reden waarom we Banning associëren met een tijdperk van ‘tucht en ascese’ dat we sinds de komst van de consumptiemaatschappij in de jaren ’60 achter ons hebben gelaten. Maar waarom werd kroonprins Willem-Alexander dan zo uitbundig geprezen om wat hij op 5 mei j.l. in een toespraak zei?

De eerste studenten die met bonkend hart opstonden om een protest te laten horen tegen het ontslaan van hun joodse professoren, drukkers die de moed hadden om de eerste illegale bladen op de persen te leggen, huisvrouwen die joden en illegalen als vanzelfsprekend bij hun gezin aan tafel lieten aanschuiven. Daarvoor leerde mijn vader mij een schitterend Duits woord: Zivilcourage...
We associëren moed meestal met gevaarlijke situaties. Situaties waarin de vrijheid in de knel is geraakt en heroverd moet worden. Maar ook een vrij, open land heeft moedige mensen nodig. Doorzetters die ieder op hun eigen manier de vrijheid constructief invullen en daarmee zeker stellen voor de toekomst. Met woorden, maar vooral met daden. Ouders die hun kinderen met liefde en geduld opvoeden tot vrije, verantwoordelijke burgers. Onderwijzers die hun leerlingen nieuwsgierigheid en respect voor anderen bijbrengen. Hulpverleners die mensen, die lijken af te haken, er weer bij betrekken. Dienaren van de publieke zaak die de moed bezitten om te doen wat gedaan moet worden, tegen alle trends en opportunisme in. Zij zijn broodnodig voor onze toekomst in vrijheid. Want vrijheid verdient zorg en onderhoud, en een voortdurende waakzaamheid. Zivilcourage, een tijdloos, wonderschoon concept.’
(Willem-Alexander in NRC-Handelsblad, 6 mei 2005)

Dat brengt ons bij de actualiteit en het debat over normen en waarden. Zoals al veel is vastgesteld, is daar in progressieve kring grote verlegenheid over, al lijkt dat recentelijk iets te veranderen.
Uit angst om voor conservatieve zeurders te worden uitgemaakt, benadrukken de meeste progressieve politici toch het liefst dat ‘echte normen en waarden’ in de politiek gestalte moeten krijgen in sociaal rechtvaardig overheidsbeleid en dat de CDA-invulling vooral benepen burgermansfatsoen uitstraalt. Daarmee is de kous dan meestal af. Miskend worden dan twee zaken.

Ten eerste dat er in Nederland geen morele verwarring maar juist een grote morele consensus is en dat die progressief van karakter is. En ten tweede dat ook een progressieve moraal van liberale vrijheidsrechten en sociale rechtvaardigheid een voortdurende omzetting in ons dagelijks handelen vereist. Bannings erfenis is daarmee gemengd. Enerzijds is er een morele consensus die eerder het resultaat is van de jaren ’60 en ’70 en waarvan Banning op onderdelen waarschijnlijk gegruwd zou hebben. Wij vormen tegenwoordig op een andere manier gemeenschappen dan destijds. Aan de andere kant moeten ook deze progressieve moraal en ‘lichte’ gemeenschappen beschermd worden, tegen eigenbelang en consumentisme evenzeer als tegen fundamentalisme. De persoon en de gemeenschap zijn dus vernieuwd, maar hun principiële personalistische verhouding niet en daarmee ook niet het appèl op dienstbaarheid aan die gemeenschappen. Dat kunnen we nu commitment, zorg voor de eigen leefomgeving, of eigen verantwoordelijkheid voor je naasten noemen, de boodschap blijft hetzelfde.

Onlangs was ik getroffen door een uitzending van Rondom Tien van 5 mei 2005 waarin twee Lonsdale-jongeren – zoals dat tegenwoordig heet – aan het woord kwamen die vertelden over botsingen in hun dorp tussen hun groep en de allochtone jeugd. Ze bleken in staat om in helder Nederlands en op rustige toon weloverwogen de situatie uit te leggen. Hun ernst verried geen enkele opstandigheid of racistische trekken. Ze waren voorbeeldig. Maar toen de presentator hen vroeg wat nu een oplossing zou kunnen zijn, zeiden ze: ‘Om eerlijk te zijn, we zien geen oplossing. Echt niet.’
Het was een merkwaardig moment. Deze jongeren bleken uitstekend in staat hun eigen situatie te analyseren, maar hadden geen enkel idee van hoe het verder moest. Terwijl ze heel goed begrepen dat ze zelf deel waren van het probleem, namen ze geen enkele actieve verantwoordelijkheid voor een oplossing. Precies deze passieve houding, in talloze varianten, is de uitkomst van het verslappen van een besef dat Banning en Willem-Alexander, naast vele anderen proberen levend te houden: dat dienstbaarheid aan de gemeenschap geen zware woorden horen te zijn die ons als lood op de maag liggen, maar vanzelfsprekende, levende getuigenissen die een redelijk samenleven mogelijk maken.

3. De zedelijke grondslagen van het socialisme en het debat over solidariteit en verzorgingsstaat

Als zedelijke grondslagen van het socialisme noemt Banning

‘1. het verzet tegen uitbuiting, d.w.z. tegen het maatschappelijk feit, dat één sociale groep leeft van de arbeid van andere groepen, en deze laatste in permanente afhankelijkheid houdt,
2. het verzet tegen de ontmenselijking en depersonalisatie van de mens, niet alleen wanneer hij gedoemd wordt in armoede te leven, maar vooral wanneer hem politieke, sociale en geestelijke vrijheidsrechten worden onthouden;
3. het verzet tegen maatschappelijk, politiek en geestelijk onrecht, wanneer mogelijkheden en kansen tot ontwikkeling van de in de mens aanwezige krachten hem worden belet, omdat en voorzover zij gebonden zijn aan bezit, en dus het privilege zijn van materieel bevoorrechten.’ (zie ‘Ons Socialisme’)

De strijd om een morele grondslag voor het socialisme was in Bannings tijd vooral ingegeven door een verzet tegen het Marxistische economisch-deterministische geloof dat de dialectiek der productiekrachten de heilstaat vanzelf naderbij zou brengen. Het socialisme moest een moreel ideaal zijn, niet de onvermijdelijke uitkomst van een natuurproces. Tegenwoordig, zo kunnen we stellen, is in ieder geval dit gedeelte van het Marxisme niet zo populair meer en heeft Banning het pleit gewonnen. Ook politiek-praktisch won dit ideaal het, met als gevolg de totstandkoming van de verzorgingsstaat.
Dat deze overwinning zijn prijs kende, is inmiddels welbekend. De verzorgingsstaat baarde haar eigen problemen: fraude, gebrek aan individuele verantwoordelijkheid, overbelasting, onbetaalbaarheid, zegt M.B. ter Borg in Banning als denker. Als we tegenwoordig spreken over de ‘morele fundering’ van de verzorgingsstaat hebben we dan ook niet de strijd met het economisch-determinisme op het oog, maar de bereidheid van de middenklassen om de bestaande ‘arrangementen’ te blijven financieren, tegen de conservatieve wens in dat wij allen voor onszelf zullen zorgen middels private spaar, verzeker- en beleggingsconstructies en alleen de allerarmsten nog collectief worden verlicht. Het idee is dat juist door het succes van de verzorgingsstaat velen er geen direct belang meer bij hebben. Zij kunnen zich bijvoorbeeld grotendeels onttrekken aan de risico’s van ziekte en werkloosheid. Alleen een moreel appel kan hen nog ertoe overhalen deze voorzieningen op te hoesten voor minder fortuinlijke medeburgers, zegt Paul Kalma in Links, rechts en de vooruitgang.

Een morele grondslag voor de verzorgingsstaat is dus nu een roep om altruïsme omdat we inzien dat een beroep op welbegrepen eigenbelang niet meer voldoende is. Deze kijk op de zaak verdoezelt misschien toch de overeenkomsten. Want ook al was Bannings ethisch socialisme vooral een reactie op het marxisme, het bedoelde wel degelijk een moreel appèl te zijn, en niet alleen aan de arbeiders om met zichzelf solidair te zijn: juist Banning wilde immers al voor de oorlog de SDAP omvormen van een proletarische partij tot een partij voor het hele volk.
Op dit punt lijkt mij Banning dus onverminderd actueel. Als bezwaar tegen deze benadering is wel ingebracht dat Bannings ethisch socialisme te weinig aandacht heeft voor wetenschap enerzijds en macht anderzijds. Ik citeer Joop van den Berg, op een studiedag over de actualiteit van Banning in 1987:

‘Zijn en andermans “personalisme” (..) heeft toch de weg geopend voor een te weinig gericht en te weinig op wetenschappelijk inzicht gebaseerd exclusief ethisch socialisme nadien. Een enkel beroep op beweerde “ongelijkheid” en “onrechtvaardigheid” werd genoeg om de PvdA verschrikt te doen opveren. (...) In het individuele menselijke verkeer tussen mensen en medemens moge gezindheid voldoende zijn; in het politieke verkeer is zij even noodzakelijk als onvoldoend.’

Of Bannings denken dit effect daadwerkelijk heeft gehad, weet ik niet. Het lijkt me echter op zijn minst eenzijdig om hem zo’n ‘moralisering van de politiek’ te verwijten. Dat legt teveel de nadruk op het personalisme en te weinig op de institutionalisering daarvan in het socialisme. Juist Banning heeft daarvoor gepleit door middel van een ‘rechtsorde van de arbeid’. En hij maakte heel duidelijk dat het hem daarbij niet alleen ging om sociale wetgeving en sociale verzekeringen, maar ook om bijvoorbeeld samenwerking van werkgevers en werknemers in ‘organen met publiekrechtelijke bevoegdheid.’ zegt Banning in De Dag van morgen. Ons geliefde poldermodel dus. Op dit punt lijkt mij Bannings denken onverminderd actueel en gerechtvaardigd.

Ook hier gaat het echter – net als bij de doorbraak en het personalisme – meer om de grondhouding of inspiratie dan om de inhoud van onze actuele politiek. Deze inhoud is sterk gewijzigd ten opzichte van Bannings tijd. Minstens twee zaken kon hij niet voorzien. Ten eerste dat onze morele bewogenheid zich zou uitbreiden van de positie van de arbeider naar allerlei nieuwe vraagstukken. Niet alleen de arbeider, maar ook het milieu en de dieren, minderheden van allerlei soort en allerlei nieuwe technologische risico’s maken dat nieuwe vormen van publieke bescherming zijn opgekomen. De eenzijdige tegenstelling van arbeid en kapitaal heeft plaats gemaakt voor een proliferatie van nieuwe zwakke partijen in nieuwe maatschappelijke verhoudingen. Dat valt Banning niet aan te rekenen, maar betekent wel dat ethisch socialisme vandaag de dag inhoudelijk iets geheel anders moet betekenen.

Daarnaast zijn er de al genoemde schaduwzijden van de verzorgingsstaat, die aan zijn eigen succes ten onder dreigt te gaan. En daarbuiten liggende factoren zoals vergrijzing en globalisering die haar onder drukzetten. Ook dat alles kon Banning niet voorzien. In een zojuist verschenen boekje bepleit Romke van de Veen als antwoord daarop een sociaal-democratische visie met o.a. meer plichten voor nieuwkomers in Nederland, het organiseren van collectieve voorzieningen op lagere niveaus dan de nationale staat, het inbrengen van meer eigen risico’s in de collectieve verzekeringen, geen WAO voor niet-arbeidsgerelateerde ongelukken, een plicht tot het aanvaarden van werk, en de constructie van een ‘sociaal Europa’. Dit alles is volgens hem nodig, juist om de gewenste saamhorigheid en solidariteit in stand te houden. Of dat zo is, weet ik niet. Maar het toont wel aan dat de inhoud van een ‘ethisch socialisme’ sterk kan veranderen door de tijd heen. Dat lijkt me geen probleem, maar het betekent wel dat we aan Bannings geschriften verder niet meer zo heel veel hebben.

De verhouding tussen levensbeschouwing en politiek in de doorbraakgedachte, de verhouding tussen individu en gemeenschap in het personalisme, de verhouding tussen solidariteit en eigenbelang in het ethisch socialisme – al deze principiële leerstukken zijn op te vatten als verhoudingen, d.w.z. als spanningen die telkens opnieuw moeten worden verzoend. We kunnen inspiratie opdoen bij de manier waarop Banning deze verzoeningen in zijn tijd tot stand bracht. Maar wíj moeten onze eígen verzoening tot stand brengen. En daarbij kan de historie ons geen argumenten leveren – alleen inspiratie en een besef waarvoor we het allemaal doen. "

 


Welkom