Oproep aan PvdA-kamerfractiesDraag de waarden van vrijheid
van onderwijs actief uit
November 2011 - ‘Trefpunt PvdA en levensovertuiging besteedt regelmatig
aandacht aan de vrijheid van onderwijs, cq. aan de vrijheid van richting zoals
die in artikel 23 van de Grondwet wordt gegarandeerd. Binnenkort zal de
Onderwijsraad op verzoek van de Tweede Kamer komen met een ‘gezaghebbende’
interpretatie van dit grondwetsartikel.
Gezien de veranderende omstandigheden in de samenleving is het opnieuw lezen en
interpreteren van artikel 23 een begrijpelijke wens.
Waar wij vanuit Trefpunt speciale aandacht voor willen vragen is het volgende:
Af en toe zijn geluiden te horen van partijleden die afwillen van het bijzonder
onderwijs. Zo schrijven de Jonge Socialisten in hun programma van 2010 dat de
leerplicht alleen nog vervuld zou moeten kunnen worden op een openbare school.
Overigens stellen we met genoegen vast dat de fractie deze gedachte niet
ondersteunt.
Wij willen graag, wellicht ten overvloede, onder jullie aandacht brengen dat in
het spreken over deze thematiek het van groot belang is steeds de onderliggende
waarden van artikel 23 te onderstrepen en uit te dragen.
Het is naar onze mening van het grootste belang bij gesignaleerde problemen,
zoals segregatie of discriminatie van homo’s, direct noch indirect het principe
van de vrijheid van onderwijs in het geding te brengen. Dat geeft degenen die
aan die vrijheid hechten niet alleen een onveilig gevoel, ook is het geen
vruchtbare weg om gesignaleerde problemen op te lossen. Bedacht moet worden dat
veel PvdA-leden en -kiezers met veel overtuiging werken in het bijzonder
onderwijs of als ouders daarvoor bewust kiezen.
Wij onderschrijven het ideaal van een pluriform openbaar onderwijs. De open
samenleving is een sociaal-democratisch ideaal. Wij hechten onverkort aan het
handhaven van de plicht van de overheid om openbaar onderwijs aan te bieden.
Waar gemeenten onvoldoende doen om openbaar (voortgezet) onderwijs te
waarborgen, kan de provincie de bovengemeentelijke taak op zich nemen dit te
doen.
Wij onderschrijven het recht op kwalitatief goed onderwijs en op keuzevrijheid
van de ouders. Het recht op goed onderwijs behoort het primaat te hebben; de
keuzevrijheid komt daarna. Het recht om scholen op te richten mag niet ter
discussie staan, maar er worden terecht hoge normen gesteld bijvoorbeeld in
verband met de onderwijskwaliteit.
Naar onze mening mag worden geëist dat ook bijzondere scholen zelf, bijvoorbeeld
door middel van door henzelf gevormde visitatiecommissies, nagaan of en hoe zij
hun identiteit werkelijk vorm geven en waarmaken. Discussie over de resultaten
van dergelijke visitaties kunnen de mogelijkheid openen om tot
identiteitswisseling te komen.
In het spreken van onze politici moet duidelijk zijn dat men zich er van bewust
is wie er over de identiteit van een school gaat. Principieel voor ons is dat
dit niet politici zijn, die dat soms menen met als argument dat de overheid
scholen bekostigt. De bijzondere school zelf gaat over zijn identiteit. Daarbij
is het van belang dat bij bijzonder onderwijs zeker niet alleen confessionele
scholen worden bedoeld, maar ook het algemeen bijzonder onderwijs. Nederland
kent op dit terrein een lange en ook staatsrechtelijk goed onderbouwde historie
waarin vele overwegingen rondom dit grondwetsartikel al eens de revue zijn
gepasseerd. Helaas geven sommige politici, ook van de PvdA, soms blijk van deze
geschiedenis weinig of geen kennis te hebben.
De vrijheid bij de keuze van leermiddelen en de aanstelling van onderwijzend
personeel is naar ons inzicht niet voor niets met zoveel woorden in artikel 23
benoemd. De achterliggende gedachte is voor ons principieel namelijk dat wij de
pluriformiteit in de samenleving positief waarderen, dat burgers hun leven zelf
vrij inrichten en dat de overheid hen daarin, zonder onderscheid te maken, in
staat stelt.
De bijzondere school is in hoge mate ‘eigendom’ van de ouders. Zij immers
stonden vaak aan de wieg van zo’n school. Punt van aandacht en zorg is wel de
betrokkenheid van de ouders. Door actief beleid kan daarvoor meer ruimte worden
gegeven, zonder dat de professionals aan de kant worden gezet. Overigens geldt
dit laatste eveneens voor het openbaar onderwijs: het is voor beide typen
onderwijs een beleidsopgave ouders meer te laten deelnemen aan het
schoolgebeuren in brede zin.
Bij werkelijke problemen is het belangrijk te onderkennen dat de bestaande wet-
en regelgeving veelal ruim voldoende is om afdoende maatregelen te nemen. Wij
hebben daar een aantal jaren geleden, toen er problemen werden gesignaleerd op
islamitische scholen, op gewezen. Aan het licht kwam toen dat de bestaande wet-
en regelgeving niet goed werd toegepast. Er is sindsdien veel verbeterd.
Allereerst is de inspectie aan zet. Wat betreft het tegengaan van segregatie
moet de gemeentelijke regie tot uitdrukking komen, die er vooral op gericht moet
zijn achterstanden te bestrijden. Van scholen mag worden verwacht dat ze het
gesprek over maatschappelijke vraagstukken met de gemeente aangaan.
Een opgave is de discussie steeds zuiver te voeren. In de discussies blijkt dat
het, mede door grote lokale verschillen, lastig is in algemeenheden te spreken.
Bijvoorbeeld: oplossingen in gemeenten waar sprake is van minder leerlingen zijn
divers en getuigen van creativiteit binnen de mogelijkheden van artikel 23.
Binnen artikel 23 is het streven van de PvdA op het gebied van onderwijs
realiseerbaar. Slechts op één punt – het kunnen weigeren van ‘ongelovige’ of
‘andersgelovige’ kinderen als leerling – ligt er jurisprudentie die niet steunt
wat wij als PvdA nastreven. Maar in de praktijk maken alleen het Maimonides en
enkele reformatorische scholen hiervan gebruik, en zolang dit zo is, is het niet
verstandig voor die paar scholen artikel 23 ter discussie te stellen.
Gebeurtenissen als het ontslag door een gereformeerd-vrijgemaakte school van een
leraar die homo is, zijn pijnlijk, maar ook heel schadelijk voor de zaak van het
bijzonder onderwijs zelf. Toch moeten wij ons niet laten meeslepen door deze
incidenten en niet meedoen aan hinderlijke beeldvorming als zouden deze
voorbeelden meer zijn dan uitzonderingen. Dat geldt ook voor de weerstand tegen
islamitische scholen. De werkelijkheid is dat de overgrote meerderheid van de
islamitische ouders niet voor islamscholen kiest net zoals het merendeel van de
protestanten niet kiest voor reformatorische scholen.
Wij wensen jullie veel sterkte toe bij de verdere gedachtevorming en
besluitvorming over dit belangrijke onderwerp.’
|