Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt van Socialisme en Levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Trefpunt
.... ILRS
 

Actuele thema's

.... Behoeften en rechtvaardigheid
.... Onderwijs en integratie

 

Eerdere thema's

.... Werken met waarden
.... PvdA Beginselen
.... God en de EU-grondwet

 

Waarschuwing tegen marktfundamentalisme

Actieve overheid nodig om groeiende ongelijkheid te bestrijden

Trefpunt van socialisme en levensovertuiging heeft in een brief aan de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer en aan minister Jacqueline Cramer van Milieubeheer gewezen op de noodzaak van actief overheidsbeleid bij het bestrijden van ongelijkheid in de wereld.

De tekst van de brief:
“Naar aanleiding van een inleiding van prof. Hans Opschoor voor het Trefpunt van socialisme en levensovertuiging, waarvan een bewerkte weergave onderaan deze brief is opgenomen, richten we ons tot jullie om onze zorg uit te spreken over de groeiende ongelijkheid in de wereld, die mede een gevolg is van het onvoldoende gecontroleerd zijn van het marktsysteem waarin wij nationaal en internationaal zijn opgenomen.

Binnen Trefpunt is vanaf het begin verheugd gereageerd op regeringsdeelname door de PvdA. Wij waarderen in hoge mate de inzet van de fractie en de PvdA-bewindslieden, vooral op het punt van het door ons ook noodzakelijk geachte ambitieuze milieu- en klimaatbeleid. Wij zijn heel blij dat de PvdA sinds de verkiezingscampagne en de daarop volgende regeringsdeelname nu ook een duidelijk ecologisch profiel heeft.
Het ingezette beleid van het nieuwe kabinet is veelbelovend. Maar in onze discussie kwam ook naar voren dat de PvdA meer werk moet maken van ongelijkheid op het gebied van inkomens en op het gebied van de effecten van klimaat- en milieubeleid.

Schone productie van goederen en diensten is sterk afhankelijk van duidelijk overheidsbeleid. De burger is daarop aangewezen. Nationaal beleid heeft z’n beperkingen; ook wij zien dat het Nederlandse beleid vooral gericht moet zijn op internationale impact. Problematisch daarbij is dat internationale organisaties, zoals van de Verenigde Naties, niet de macht wordt gegund de instrumenten te ontwikkelen, zoals dwingende codes en sancties, om duurzaam beleid af te dwingen en de markt te beteugelen. Wel biedt Europees beleid grote mogelijkheden, niet alleen voor Europa zelf, maar ook vanwege de enorme impact op de productie in andere landen.

Wij signaleren een aanpak waarbij de overheid allereerst een beroep doet op vrijwillige medewerking vanuit de maatschappij, vooral vanuit het bedrijfsleven. Dat heeft waarschijnlijk zijn redenen vanuit de gedachte dat hiermee, bij onvoldoende resultaat, een basis wordt gelegd om de teugels aan te trekken met ook wettelijke maatregelen.
Op grond van ervaringen in het verleden pleiten wij voor een doortastend overheidsbeleid dat zich actief met de markt bemoeit. De overheid beschikt niet voor niets over een scala van effectief gebleken beleidsinstrumenten. Uiteraard moet het overheidsoptreden worden gelegitimeerd door actieve en passieve steun vanuit de samenleving. Maar die steun is er en moet naar onze mening nu worden ingezet voor een geloofwaardig beleid van overheden en andere instituties.”

Een nieuwe generatie van ‘market failures’

Bewerkte weergave van de inleiding van Hans Opschoor voor het Trefpunt van socialisme en levensovertuiging.

1. De markt of marktfundamentalisme

Mondialisering is een veelzijdig fenomeen dat overigens op zijn minst al eeuwen met ons is. In zijn huidige verschijningsvormen al vanaf pakweg 1800, met en versnelling en verandering sinds ongeveer 1950. Mondialisering heeft twee componenten. Ten eerste de materiële componenten, zoals de verspreiding en penetratie van bepaalde technologieën en consumptiepatronen. En ten tweede de institutionele componenten, zoals liberalisatie, deregulering, etc. Wat de eerste betreft zou kunnen worden gesproken van een niet bewust gestuurd proces van mondialisering; wat de laatste betreft spreek ik liever van een politiek/ ideologisch gedreven project van neoliberale mondialisering met als doel een neoliberale ideologie te verspreiden, waarbij Wereldbank, IMF en dergelijke instellingen belangrijke motoren zijn. Ik ben niet tegen de markt, maar deze ideologie komt neer op marktfundamentalisme. De aard van dit project is in hoge mate bepalend voor de richting en het tempo van het proces van mondialisering.

Je zou kunnen zeggen: hier wordt het oude liedje van “Het is de schuld van het kapitaal” gezongen. Maar het begrip kapitaal is abstract en veelkleurig. De verschijnselen van toenemende onduurzaamheid die ons vergezellen, zijn eerder te wijten aan een ongecontroleerd marktsysteem. Op zichzelf is het marktdenken mogelijk. Want het impliceert ingrijpen om de markt goed te laten functioneren; maar de vrije markt aan zichzelf overgelaten zorgt niet automatisch voor een goede inkomensverdeling of duurzaamheid.

2. “Groei maar, wacht maar, alles komt goed”

Sinds het midden van de jaren vijftig zijn er opvattingen die het vermoeden/vertrouwen weergeven dat bij stijgende inkomens per hoofd van de bevolking, de ongelijkheid in landen misschien eerst wel toeneemt maar daarna afvlakt om vervolgens zelfs te gaan dalen. De Amerikaanse econoom Simon Kuznets meende een dergelijk verband empirisch te hebben gevonden. Het is nooit overtuigend aangetoond.
Sinds het begin van de jaren negentig zien we studies die iets vergelijkbaars suggereren: bij stijgende inkomens per hoofd van de bevolking stijgt de milieudegradatie in landen eerst wel maar daarna vlakt ze af om vervolgens zelfs te gaan dalen (de zogenaamde “Environmental Kuznets Curve”). Ook al gaat die curve voor sommige vormen van verontreiniging op, hij doet dat niet voor alle, waaronder zeer belangrijke vormen van verontreiniging. Zelfs waar die zich manifesteert, is dat nooit zonder dat daar expliciete overheidsinterventies aan ten grondslag liggen.
Het idee dat economische groei uiteindelijk goed is voor het milieu (“je groeit vanzelf door je jeugdpuistjes heen”) gaat niet zonder meer op. Er is sinds de jaren zeventig vooruitgang geboekt, het milieu is schoner, maar de uitstoot van kooldioxide is een hardnekkig probleem. Bescheiden doelstellingen tot vermindering worden niet gehaald. De groeimotor draait door en zorgt ook in dit verband voor meer ongelijkheid. Succes bij het terugdringen van vervuiling is geen gevolg van autonome economische groei, maar van regelgeving, onder andere van “Brussel”.

3. Inkomensongelijkheid groter dan ooit

Mondiaal is de inkomensongelijkheid waarschijnlijk nooit zo groot geweest als nu. Er is discussie over de vraag of de ongelijkheid erger wordt of niet; die discussie gaat vooral over vragen als: wat wil je eigenlijk meten en vergelijken, en: hoe meet je die zaken?
In termen van inkomensongelijkheid tussen landen, waarbij inkomens per hoofd van de bevolking worden vergeleken, zijn er aanwijzingen in zowel de ene als de andere richting. Halen we het speciale geval China (en daarmee wel eenvijfde van de wereldbevolking) uit de statistieken, dan loopt de mondiale inkomensongelijkheid duidelijk op sinds 1950; met China wel in de statistieken wel gebeurt dat iets minder stijl en is er een knik rond 1980.
In termen van ongelijkheid binnen landen: die wordt in de meeste landen alleen maar groter en dat wordt door de Wereldbankeconoom Branko Milanovic in verband gebracht met mondialisering. Volgens de Ontwikkelingsorganisatie van de VN, de UNDP, neemt de ongelijkheid in zes van 33 ontwikkelingslanden waarvoor voldoende gegevens beschikbaar waren, af. En in 17 landen, dus meer dan de helft, neemt die toe.

De inkomens van de vijf procent rijkste mensen ter wereld waren in 1993 114 keer hoger dan die van de vijf procent armsten; dat was ongeveer 78 in 1980 volgens de UNDP en de econoom Milanowic. De rijkste één procent ontvangt nu evenveel als de armste 57 procent.

4. Milieuproblemen verbeteren niet uit zichzelf

Als je kijkt naar milieuproblemen als klimaatverandering, verdwijnen van biodiversiteit, ontbossing en in het algemeen de ecologische voetafdruk van de mensheid, dan zien we de situatie verergeren. Enkele voorbeelden, zoals zwavel/verzuring en het gat in de ozonlaag laten zien dat dat niet per se nodig is. Maar in beide gevallen verbeterden deze zaken niet uit zichzelf, al kan het zijn dat bij stijgende inkomens het maatschappelijk draagvlak voor milieu-interventies steviger wordt vanuit de ervaringsregel “Erst kommt das Fressen und dann die Moral”.
Voor wat betreft de energie/klimaatproblematiek is het het beste om ons, met kromme tenen en gekruiste vingers, activistisch op te stellen ten aanzien van wat er zich mondiaal aan beleidsontwikkeling voordoet (cq. niet voordoet). Datzelfde geldt overigens ook op nationaal niveau, al doet de huidige minister haar best.

5. Meer markt, minder milieu

Al sinds de jaren twintig van de twintigste eeuw weten economen (althans: ze hebben dat geleerd...) dat inkomensongelijkheid tot de chronische ‘market failures’ behoort. Men moet dan ook niet raar opkijken dat er meer ongelijkheid ontstaat waar sprake is van ‘meer markt’ zonder toename van politieke of maatschappelijke tegenmacht. Althans: dat die ongelijkheid niet dank zij liberalisatie afneemt. Discussie ten onzent over topinkomens laten dat schrijnend zien, maar dat geldt ook internationaal.
Al sinds de jaren zestig/zeventig weten economen (althans: sommige van hun vakbroeders en –zusters hebben het daar voortdurend over) dat afwenteling van milieulasten en andere lasten hoort bij economische systemen die in sterke mate leunen op prijsconcurrentie. Externe milieu-effecten behoren sindsdien tot een nieuwe cq. nieuw erkende generatie van ‘market failures’. Ook hier geldt dat men niet raar moet opkijken als er sprake is van groeiende milieubelasting bij economische groei. Tenzij overheidsbeleid en gewijzigd consumentengedrag de economie terugdwingen in het hok van de milieugebruiksruimte. Meer markt alleen is: minder milieu en zeker: minder milieu morgen.

6. Conclusies

Afwenteling, decentralisatie, liberalisatie en andere vormen van ideologisch ingekleurde projectmatige mondialisering in de decennia achter ons laten zien dat een ongebonden en steeds minder beteugeld kapitalisme wel degelijk behoren tot de hoofdoorzaken van ongelijkheid en milieudegradatie.
Institutionele factoren zijn dus ook belangrijk om de invloeden van economische processen op maatschappij en milieu te veranderen. Politieke macht, uiteraard maatschappelijk geschraagd en democratisch gelegitimeerd, en maatschappelijke druk zijn essentieel bij het ontwikkelen en inzetten van voldoende instrumentarium om ongelijkheid en onduurzaamheid afdoende aan te pakken.


Welkom