Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt van Socialisme en Levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Trefpunt
.... ILRS
 

Actuele thema's

.... Behoeften en rechtvaardigheid
.... Onderwijs en integratie

 

Eerdere thema's

.... Werken met waarden
.... PvdA Beginselen
.... God en de EU-grondwet

 

Naar kansrijke veranderingsstrategieën

Beraad "Behoeften en rechtvaardigheid" formuleert een oproep

Trefpunt van socialisme en levensovertuiging begon in 2004 een project om morele keuzes rond mondiale vraagstukken aan de orde te stellen en om te komen tot veranderingsstrategieën voor een eerlijkere en duurzamere wereld.

Op 22 april 2005 hield Trefpunt in De Rode Hoed te Amsterdam een beraad met leden van progressieve partijen en van levensbeschouwelijke organisaties, waarin onderstaande oproep werd vastgesteld.

Binnen Trefpunt wordt bezien hoe deze oproep het best kan doorwerken in politiek en samenleving.

1. Algemeen

1.1 Het beraad “Behoeften en rechtvaardigheid” heeft zich op 22 april 2005 bezonnen op een groot politiek en maatschappelijk falen: hoewel burgers, bedrijven en overheden met de beste bedoelingen bezig zijn met mondiale vraagstukken en met het milieu, wordt de wereld er niet bepaald eerlijker op en blijken de maatregelen die worden genomen om met name klimaatverandering tegen te gaan, verre van voldoende te zijn.
1.2 Dat elke wereldburger nu en in de toekomst een gelijk recht heeft op een deel van de ‘milieugebruiksruimte’, mag niet ter discussie staan. Het is de basis voor rechtvaardige en duurzame mondiale ontwikkeling. Dit beginsel wordt echter niet in praktijk gebracht en er is ook geen duidelijk perspectief op een meer rechtvaardige ontwikkeling.
1.3 De urgente vraag is: zijn er meer of andere kansrijke veranderingsstrategieën mogelijk dan die we nu volgen om het milieubeslag te verminderen?
1.4 Wij zien geen andere mogelijkheid dan dat het totale milieubeslag zal moeten verminderen. Dat heeft diepingrijpende gevolgen voor de wijze waarop productie en consumptie zijn georganiseerd.
1.5 Veranderingsstrategieën moeten voldoende rekening houden met wat verschillende groepen mensen wel en niet willen of kunnen. De vraag is bijvoorbeeld of de mens vrijwillig kan afzien van behoeften, of de mens te verleiden is tot minder groei en tot vermindering van energieverbruik en in hoeverre techniek daarbij kan worden ingezet.
1.6 Het is ook de vraag of de tendens tot steeds grotere mobiliteit, die gepaard gaat met meer gebruik van materialen, (fossiele) energie, ruimte en natuur, met de nu bekende beleidsmiddelen te doorbreken is.
1.7 De strijd om hulpbronnen door uitputting en door toegenomen bevolkingsdruk kan ook de moraal veranderen. Wat gebeurt er met het beginsel van het gelijke recht van ieder op een deel van de milieugebruiksruimte als de strijd om de hulpbronnen zich verhardt tot een overlevingsstrijd? Mensen streven naar consistentie tussen moraal en gedrag. Als hun moraal niet sterk genoeg is om hun gedrag aan te passen, zal hun gedrag leiden tot aanpassing van hun moraal.
1.8 Het vinden van kansrijke veranderingsstrategieën is ook urgent omdat het nemen van maatregelen, na aanpassing van de moraal, alleen maar moeilijker, zo niet onmogelijk wordt door gebrek aan actieve en passieve steun onder de bevolking.

(Prof. Hans Opschoor introduceerde het begrip ’Milieugebruiksruimte’ en verstaat hieronder: ‘Het geheel van leveranties (van materialen en energie) en andere prestaties van het fysiek milieu, waarvan economisch gebruik kan worden gemaakt zonder dat die prestaties of leveranties in volgende periodes in gevaar komen’).
 

2. Knelpunten in de leefstijl

Er zijn tenminste drie knelpunten verbonden aan de westerse leefstijl:
2.1 Ten eerste: de uitputting van grondstoffenvoorraden en van de natuur en een sneller verbruik van hernieuwbare grondstoffen dan de natuurlijke aanwas. De natuur heeft een eigen intrinsieke waarde, maar is ook grondstoffenleverancier, bijvoorbeeld van hout of vis.
2.2 Ten tweede: het overmatige gebruik van fossiele brandstoffen waardoor kooldioxide (CO2) en andere broeikasgassen vrijkomen.
2.3 Ten derde: het afwentelen van problemen van schaarste, milieubederf en klimaatverandering op minder draagkrachtigen in deze wereld en op toekomstige generaties.
 

3. Gedragsverandering

3.1 Vrijwillige gedragsveranderingen door burgers of consumenten zullen niet leiden tot substantiële veranderingen. Wachten op vrijwilligere gedragsverandering is wensdenken. Zolang er aanbod van goederen en diensten is waarbij grondstoffen en energie zijn verspild, zullen die geconsumeerd worden.
3.2 Individuele burgers zijn wel bereid hun leefstijl te veranderen of anders te consumeren als dat voor iedereen in gelijke mate geldt en de noodzaak is aangetoond.
3.3 Dit betekent dat burgers een overheid nodig hebben die moet eisen dat de productie van goederen en diensten zich afspeelt zonder blijvende aantasting van natuur, milieu en klimaat en zonder afwenteling op armen en toekomstige generaties.

(Parallel aan het betalen van belasting, zijn burgers niet bereid vrijwillige bijdragen te leveren die ervaren worden als een offer, hoewel ze het belang en de redelijkheid er van wel inzien. Onderzoek (van het Sociaal Cultureel Planbureau en de Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu) wijst steeds uit dat, als iedereen naar draagkracht bijdraagt, de burger bereid is ten behoeve van de gemeenschap “offers” te brengen en een regulerende overheid daarbij als vanzelfsprekend aanvaardt.
Materieel verbruik en welvaart in materiële zin zijn uiteindelijk slechts middelen voor welzijn en levensgeluk. Deze waarneming heeft consequenties voor het overheidsbeleid. De overheid moet de beste voorwaarden proberen te scheppen voor het levensgeluk van de burgers, en dat valt dus met name in rijke landen niet langer samen met het faciliteren van economische groei naar alleen meer materiële welvaart.)

4. Grondstoffen- en energieproductiviteit

4.1 De knelpunten in de leefstijl zijn verbonden met de productie (van goederen, voedsel en diensten). De opgave is dan ook de productie zo in te richten, dat aan uitputting van de natuur en overmatig gebruik van grondstoffen en energie, een einde komt.
4.2 Met het vergroten van de grondstoffen- en energieproductiviteit of efficiency wordt veel ervaring opgedaan. Maar in het licht van urgentie van beperking van verbruik, staan wij nog maar aan het begin van dit proces.

(Voor grote sprongen in de productiviteitsverbetering moet men niet alleen denken aan meer efficiency in het gebruik van een bepaalde grondstof of vervoerswijze, maar ook aan een andere effectievere manieren om aan dezelfde menselijke behoefte te voldoen. In vergelijking met de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit zou men kunnen zeggen dat de maatschappij zich met de grondstoffen- en energieproductiviteit rond 1950 bevindt).
 

5. Innovatie in de gewenste richting

5.1 Vergroting van grondstoffen- en energieproductiviteit gebeurt alleen onder druk.
5.2 Deze druk kan uitgaan van steeds stijgende prijzen als er sprake is van toenemende schaarste. Dat is bij wijze van spreken de meest natuurlijke manier en daarom ook algemeen aanvaard.
5.3 Echter, in het geval van uitputting van de natuur en van klimaatverandering, werkt dit principe niet of te laat.
5.4 Daarom moeten overheden bij de productie van voedsel, goederen en diensten steeds strengere grenzen stellen aan het gebruik van ruimte, grondstoffen en energie met geloofwaardige en heldere einddoelen.
5.5 Dit betekent concreet een voortschrijdende quotering van het gebruik van niet hernieuwbare grondstoffen, fossiele brandstoffen en agrarische producten die niet duurzaam zijn geproduceerd tot op het niveau waarop men gezien de omvang van de bevolking aanspraak kan maken.
5.6 Op het gebied van fossiele energie kan daarnaast worden begonnen met het instellen een CO2-belasting. Elke burger krijgt via de belasting de prijs terug van het rechtmatige deel CO2-uitstoot waarop hij/zij mondiaal gezien recht heeft (de duurzaamheidsnorm voor CO2.) De opbrengsten worden verder gebruikt voor duurzame ontwikkeling in die (ontwikkelings)landen in de wereld waarin de uitstoot per hoofd van de bevolking onder de duurzaamheidsnorm ligt.
5.7 Onder de druk van quotering en CO2 -belasting ontstaat creativiteit en krijgt de innovatie van de Nederlandse en Europese (kennis)economie de gewenste richting, uitgaande van overtuiging dat de omgang met natuur, ruimte, grondstoffen en energie van cruciale betekenis is voor het voortbestaan van de mensheid.
5.8 Omdat grondstoffenschaarste en CO2-uitstoot in alle delen van de wereld een groot probleem vormen, betekent innovatie in de richting van een milieu-efficiënte economie ook het opbouwen van een economische voorsprong en draagt de export van innovatie bij aan het oplossen van wereldwijde problemen in plaats van deze mede te veroorzaken.

(De duurzaamheidsnorm voor CO2 per hoofd van de wereldbevolking is thans twee ton per jaar. Gemiddeld stoot een Nederlander via verwarming, mobiliteit, producten en diensten twaalf ton CO2 uit. Voor mensen in ontwikkelingslanden is dat minder dan twee ton. Als de prijs van een ton CO2 maar hoog genoeg is, ontstaat een prikkel om de uitstoot te ontwijken of te verminderen. De opbrengst van de belasting zou moeten worden besteed aan duurzame energievoorziening in ontwikkelingslanden. Die zouden geld moeten krijgen zolang hun uitstoot per hoofd van de bevolking onder de duurzaamheidsnorm blijft. Zodra ze daarboven komen, moeten ze ook gaan betalen. Investering in duurzame energievoorziening betekent wellicht dat ontwikkelingslanden een ander, meer duurzaam ontwikkelingstraject zullen afleggen. Gebeurt dat niet, dan worden de klimaatproblemen alleen maar groter. Daarvan ondervinden ook de industrielanden de negatieve gevolgen. Zo ontstaat een win-win situatie op basis van de koppeling van milieu en ontwikkeling.
Er wordt op dit moment binnen de EU gesproken over een belasting op kerosine met besteding van de opbrengsten voor ontwikkeling in het Zuiden. Dit is een eerste uitwerking van het voorgestelde. Het interessante van een CO2-belasting is dat het inkomsten voor ontwikkelingslanden genereert vanuit een rechtvaardigheidsprincipe (en niet vanuit liefdadigheid). Het gaat uit van een ‘right-based approach to development’. Zo’n CO2-belasting zou per jaar zo’n € 100 miljard kunnen opbrengen, ruim voldoende om de Millennium Development Goals te realiseren.
Om te voorkomen dat minder CO2- uitstoot ten koste gaat van ruimtegebruik, zoals door de verbouw van biobrandstoffen, zou het ruimtebeslag ook omgerekend kunnen worden in de prijs van CO2. Daarbij kan als sleutel worden gebruikt de CO2-opnamekapaciteit van een hectare bebouwde grond).
 

6. Vorming van een overtuiging

6.1 Wij hebben geen blauwdruk van een ideale samenleving voor ogen. Het gaat ons er om dat de samenleving de randvoorwaarden van een duurzaam leven van huidige en toekomstige generaties en van andere levensvormen, respecteert. De mensheid beschikt al over veel kennis van die randvoorwaarden en daarmee hebben wij de morele verantwoordelijkheid die te gebruiken.
6.2 Dit zal gepaard gaan met veranderingen in de structuur en de cultuur van de samenleving. Om deze veranderingen te aanvaarden, moet gewerkt worden aan een algemene overtuiging dat het respecteren van randvoorwaarden voor menselijk leven en andere levensvormen, goed en noodzakelijk is. Wij roepen iedereen op die invloed uitoefent op de openbare meningsvorming, zich voor deze overtuiging in te zetten.
 

7. De opdracht aan politici

7.1 Deze veranderingsstrategieën kunnen alleen worden gevolgd door een overheid die geleid wordt door politici die diep overtuigd zijn van de noodzaak en de mogelijkheid van deze aanpak.
7.2 Wij hebben dus behoefte aan politici die deze aanpak van harte onderschrijven en die het als hun taak en opdracht zien burgers te mobiliseren voor het perspectief van een eerlijke en duurzame wereld die thuis begint.
7.3 In deze aanpak wordt een geloofwaardige maar vooral ook zinvolle uitdaging aan de samenleving gepresenteerd, waaraan grote behoefte is. Immers, het kan het gevoel van machteloosheid onder burgers ten opzichte van wereldwijde vraagstukken doorbreken. En het brengt politici terug in de rol van inspirator en vertegenwoordiger van een werkelijk algemeen belang.



Welkom