Naar een beraad van leden van progressieve partijen en van levensbeschouwelijke organisatiesZoeken naar kansrijke veranderingsstrategieën
Centraal in het project ‘Behoeften en rechtvaardigheid’ staat een beraad van
mensen uit progressieve partijen en levensbeschouwelijke organisaties, dat
suggesties voor concrete veranderingsstrategieën moet opleveren.
Hieronder een aantal passages uit hun door Trefpunt aanvaarde nota:
Iedereen heeft recht op een menswaardig leven. De kloof tussen dit ideaal en de werkelijkheid blijft echter groot. We leven in een wereld waarin grote rijkdom voortbestaat naast grote armoede. Berekeningen en inschattingen wijzen er bovendien op, dat we interen op de bronnen waarvan wij leven, zoals de natuur en grondstoffenvoorraden. Een deel van de conflicten op de wereld is terug te voeren tot strijd om de macht over en toegang tot de hulpbronnen.
Voor ons geldt als moreel uitgangspunt dat honger en grote armoede niet mogen voorkomen. De bevrediging van basisbehoeften van de armen heeft prioriteit boven verlangens van middengroepen en rijken.
Het milieu en het andere leven stelt grenzen aan het beslag dat daarop gelegd kan en mag worden door productie en consumptie. Behoeftebevrediging van mensen mag alleen binnen de milieugrenzen plaatsvinden.
Er is nog heel wat ‘winst’ te behalen in het verminderen van het milieubeslag en van het gebruik van fossiele energie door het tegengaan van verspilling en technologie-ontwikkeling. De vraag is echter of dat voldoende zal zijn gezien de stijgende productie en consumptie die alleen al voortvloeit uit de noodzakelijke vermindering van armoede.
Een voortdurende stroom van publicaties maakt duidelijk dat de wereld tien à vijftien jaar geleden al door de ‘duurzaamheidbarrière’ is gegaan, dat wil zeggen dat we vanaf dat moment niet alleen interen op niet-hernieuwbare hulpbronnen, maar ook dat hernieuwbare bronnen in omvang en kwaliteit afnemen.
Ook zijn er aanwijzingen dat rijke mensen en rijke landen met de materiële welvaart een barrière zijn doorgegaan waarbij méér materieel verbruik niet leidt tot meer levensgeluk en soms juist tot minder levensgeluk. Materieel verbruik en welvaart in materiële zin is dus uiteindelijk slechts een middel. Deze waarneming heeft consequenties voor het overheidsbeleid. De overheid moet de beste voorwaarden proberen te scheppen voor het levensgeluk van de burgers, en dat valt dus met name in rijke landen niet langer samen met het faciliteren van economische groei naar alleen meer materiële welvaart.
Honger door het falen van de organisatie van de voedselvoorziening, lijkt te zijn overwonnen. Honger is nu een gevolg van armoede, oorlogen en plaatselijke vernietiging van het milieu.
Strijd om hulpbronnen, langzame uitputting van hulpbronnen en klimaatverandering lijken onverbrekelijk verbonden te zijn met een wijze van produceren en consumeren zoals die zich heeft ontwikkeld.
Technologische ontwikkelingen vormen hiervan een van de motoren. Technologie wordt ook met succes ingezet om de kwalijke gevolgen van deze wijze van productie en consumptie in te tomen. Er op vertrouwen dat de technologie honger, armoede en milieu-uitputting kan oplossen, is vanuit het verleden gezien niet realistisch. Het is ook roekeloos vanwege de enorme consequenties als dit niet lukt, vooral voor mensen die in armoede leven en zich slecht kunnen verweren.
Een toenemende strijd om hulpbronnen door uitputting en toegenomen bevolkingsdruk kan ook de moraal veranderen. Dat elke wereldburger een gelijk recht heeft op een deel van de ‘milieugebruiksruimte’, wordt nu nog breed aanvaard als een juist beginsel. Ook wordt het moreel verwerpelijk gevonden als de Amerikanen zich vooral door de olie hebben laten motiveren om de oorlog in Irak te beginnen. Maar is deze moraal ertegen bestand als de strijd om de hulpbronnen zich verhardt tot een overlevingsstrijd? Hoe zullen wij ons gedragen op een langzaam zinkend vlot met te veel drenkelingen als wij de fysiek sterkere drenkelingen zijn? Mensen streven naar consistentie tussen moraal en gedrag. Als hun moraal niet sterk genoeg is om hun gedrag aan te passen, zal hun gedrag leiden tot aanpassing van hun moraal.
Productie en consumptie anders organiseren?
Wij zien geen andere mogelijkheid dan dat het milieubeslag dat door middengroepen en rijken wordt veroorzaakt, zal moeten verminderen. Dit kan niet anders dan diepingrijpende gevolgen hebben voor de wijze waarop wij productie en consumptie hebben georganiseerd.
Deze conclusie is niet nieuw. Verschillende groepen hebben in de afgelopen jaren vanuit deze opvatting acties gevoerd en beleidssuggesties gedaan. En er is beleid gevoerd. Er is veel bereikt, maar tegelijk is er ook te weinig resultaat geboekt.
De vraag is nu: wat is een goede veranderingsstrategie? Welke strategieën hebben succes gehad en wat kunnen we daaruit leren? Waarom hebben eerder gehanteerde veranderingsstrategieën kennelijk onvoldoende gewerkt?
Veranderingsstrategieën voor de westerse mens
Bij eerdere veranderingsstrategieën is kennelijk onvoldoende de visie op wat de mens is en wil, in het geding gebracht. Knelpunt lijkt namelijk te zijn dat mensen in de huidige cultuur, als in fundamentele behoeften is voorzien, hun identiteit vooral aan materiële zaken ontlenen. Is de mens door de economische mogelijkheden veranderd van een wezen dat behoefte heeft aan immateriële groeit tot een wezen dat niet zonder materiële groei kan? Als dat zo is, is die ontwikkeling dan omkeerbaar en hoe?
De zich ontplooiende mens is een creatief mens. Is de mens in staat creatief te leven en tegelijk te minderen? Is mens te verleiden tot minder groei? Is het mogelijk nieuwe behoeften te voorkomen of af te remmen in plaats van er in te gaan voorzien?
Een ander vraagstuk is buitengewoon manifest: de huidige wijze van consumeren en produceren versterkt ondanks en dankzij technologische ontwikkelingen een tendens tot steeds grotere mobiliteit, dus meer gebruik van materialen, (fossiele) energie, ruimte en natuur. Is het nodig die tendens te doorbreken? Is de (steeds groeiende) behoefte aan mobiliteit een gegeven, of is die te beïnvloeden?
Een van de middelen om behoeften af te remmen is het beperken of
verbieden van marketing en reclame vanwege de ongewenste effecten van
ongeremde opwekking van behoeften. Principieel is dit inmiddels geen
punt van discussie meer - zie het verbod op reclame voor tabak, de forse
beperkingen op reclame voor alcohol en de strafbaarstelling van reclame
voor kinderporno. In al deze voorbeelden gaat het om onmiskenbare en
soms breed ervaren behoeften, maar vanwege de collectief ongewenste
effecten wordt het opwekken van deze behoeften tegengegaan. De vraag is
dan: wanneer vinden we de effecten ernstig genoeg om in te grijpen in
marketing en reclame?
Welke veranderingsstrategieën zijn er en welke werken?
Veranderingsstrategieën kunnen op verschillende niveaus worden onderscheiden:
1. Via vrijwillige gedragsveranderingen door individuele burgers of groepen georganiseerde burgers.
Dit vindt plaats en is uiteraard zinvol. Deze strategie leidt echter niet tot grootschalige effecten die noodzakelijk zijn en leiden ook niet tot trendbreuken in het gedrag in het algemeen.
2. Door middel van overheidsmaatregelen, dat wil meestal zeggen: via wet- en regelgeving, dus via dwang.
De maatregelen worden op democratische wijze genomen. Mensen mandateren hun vertegenwoordigers om tegen hun directe belang in te gaan ten gunste van een langetermijnbelang, maar de maatregelen gelden voor iedereen.
Op dit niveau worden veel resultaten geboekt. Vooral internationale verdragen en Europese regelgeving hebben een goede werking. Maar veel maatregelen worden te laat of onvoldoende resoluut genomen, waardoor het effect onvoldoende is.
3. Gebruikmakend van 1 of 2: Technische mogelijkheden helpen mensen in hun keuzen.
Apparaten en systemen hebben een moraal; het wordt je moeilijk gemaakt voor verspilling te kiezen; de mens kiest als vanzelf een niet-verspillende leefwijze. Hierbij kan gedacht worden aan schone auto’s, koppeling van warmte- en energieopwekking op huishoudniveau in goed geïsoleerde huizen ed.
Deze ontwikkeling is in volle gang, echter ook hier geldt dat de mate
waarin dat gebeurt achterblijft bij de groei van materiaal- en
energieverbruik. Bovendien is sprake van het zogeheten reboundeffect: de
motoren worden wel zuiniger, maar het aantal gereden kilometers stijgt
en ook worden de auto’s groter en zwaarder.
In combinatie met 2 wordt tegenwoordig bepleit acties te richten op
het juridisch afdwingen van reeds bestaande verdragen en wetten.
Daarvoor is echter op de lange duur ook (passieve) steun nodig vanuit de
bevolking.
Voor welk model ook wordt gekozen; steeds is actieve en passieve
steun van burgers voor de maatregelen noodzakelijk.
|