Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Banningleergang
 

Over het ideeëngoed van Jan Tinbergen

Een rechtvaardige internationale orde

Wat is een rechtvaardige internationale orde, zoals Jan Tinbergen die voor zich zag?
Piet Terhal, leerling van Jan Tinbergen en kenner van Teilhard de Chardin, behandelde deze vraag in een van de bijeenkomsten van de Banningleergang, najaar 2009. Een iets ingekorte weergave van zijn lezing.

Op 19-jarige leeftijd in 1922 wordt Jan Tinbergen lid van de SDAP. Hij komt in Leiden waar hij natuurkunde studeert in aanraking met de bittere armoede en publiceert in die tijd in ‘Het Volk’ een serie beschrijvingen van het leven van werklozen in Leiden. Hij is actief in de socialistische beweging. In 1934 stelt Tinbergen samen met Hein Vos het Plan van de Arbeid op. Waar het de plansocialisten om gaat is de ordening en de beheersing door de overheid van de bestaande economische orde, dat wil zeggen niet zozeer de eigendomsverhoudingen als wel de economische beschikkingsmacht over de productiemiddelen, het door de overheid regelen van het goede gebruik ervan. Bij Tinbergen wordt dat goede gebruik vooral bepaald door het ethische beginsel van sociale rechtvaardigheid. Tinbergen noemt dan ook een dergelijk socialisme het meest verkieselijke, want meest redelijke en rechtvaardige stelsel. Voor zijn wetenschappelijk werk in deze geest krijg hij later de Nobelprijs economie. In het eerste naoorlogse kabinet werd Hein Vos minister van Handel en Nijverheid. Vos komt met het voorstel van een Centraal Planbureau, waarvan Jan Tinbergen de eerste directeur wordt.

In 1951 bezoekt Tinbergen India. Het confronteert hem opnieuw met verpletterende armoede. Zoals aan het begin van zijn loopbaan de kennismaking met de armoede in Leiden hem blijvend heeft beïnvloed, komt er ook nu een heroriëntatie in zijn leven en zijn werk. Zijn aandacht verschuift naar de internationale ontwikkelingen. Hij aanvaardt een volledige benoeming als hoogleraar in Rotterdam, de Nederlandse Economische Hogeschool. Het was de tijd van de dekolonisatie. Tinbergen wordt de gedreven leermeester van generaties economen, auteur van een aantal standaardwerken op het terrein van de economische politiek. Tinbergen raakt ook als adviseur betrokken de economische ontwikkeling van de jonge naties.

Zijn pleidooi voor een planmatige aanpak, met een krachtige rol voor de zo juist nieuw gevormde overheden van deze landen, vindt gretig gehoor. Ondanks bittere teleurstellingen blijft Tinbergen zijn visie koesteren op een wereld die gaandeweg onder de leiding van de Verenigde Naties beter geordend zou kunnen worden. Na de beëindiging van de Koude Oorlog neemt Tinbergen afstand van het triomfalisme waarmee de overwinning van het ‘marktdenken’ wordt gevierd. Tinbergen beschouwt tot aan zijn dood het democratisch socialisme als de ‘optimale orde’ voor de wereld.

Optimale orde

In september en oktober 2009 werd in Utrecht de Banningleergang 2009 gehouden over het thema ‘Hoe temmen we het hedendaagse kapitalisme’. Ruud Koole sprak er over Sociaal-democratie en de staat, Rutger Claassen over Markt en moraal, Piet Terhal over een Rechtvaardige internationale orde (hierbij afgedrukt) en Hans Opschoor over Markt, leefstijl en duurzame ontwikkeling. Herman Noordegraaf trad steeds op als co-referent, waarbij hij het gedachtegoed van Banning belichtte. Er waren twintig deelnemers. Elke avond werd afgesloten met een geanimeerde discussie. Wat bedoelde Tinbergen met het begrip ‘optimale orde’? Tinbergen ziet de vraag naar ‘best mogelijke economische orde’ als het wetenschappelijke probleem van het zoeken van de voorwaarden waaronder een maximum van collectief menselijk welzijn onder randvoorwaarden zou kunnen worden bereikt. Welzijn hoopte Tinbergen zoveel mogelijk empirisch te kunnen vaststellen of meten. Een waarde als rechtvaardigheid komt dan tot uitdrukking in de gewichten, welke aan diverse componenten binnen de welzijnsfunctie worden toegekend. Daarbij zou het welzijn van de een niet zwaarder mogen wegen dan het welzijn van de ander. Deze theoretische exercitie lijkt nogal abstract en betekenisloos, maar in feite gebruikt Tinbergen hier de techniek die wordt gehanteerd bij de meest geavanceerde theoretische verdediging van het liberalisme (Pareto). Door de collectieve welzijnsfunctie op te vatten als de som van de individuele welzijnsfuncties gaat Tinbergen uit van onderlinge gelijkwaardigheid van mensen. Een extreme variant van het liberalisme ontkent evenwel ten principale de mogelijkheid om welzijn van de een te vergelijken met welzijn van de ander.

Uitkomst van dat onderzoek zijn de theoretische voorwaarden waaronder het collectief menselijk welzijn zo groot mogelijk zou zijn. De belangrijkste taak moest daarna echter nog komen: de vertaling van deze voorwaarden in maatschappelijke instituties. Want Tinbergen vatte een orde op als een verzameling van instituties die ervoor zorgen dat de gevonden voorwaarden vervuld worden. Een belangrijk punt daarbij is het optimale niveau van besluitvorming. Met name in deze vertaling gaan socialisme en liberalisme uiteen.
Met het oog op een juiste en evenwichtige vertaling in de richting van maatschappelijke instituties onderzoekt Tinbergen empirisch de oorzaken van economische ongelijkheid, meer in het bijzonder de ongelijke uitkomsten van het marktproces. Die oorzaken van ongelijkheid vallen in twee categorieën uiteen, die kunnen worden aangeduid met de woorden ‘schaarste’ en ‘stelsel’.

Schaarste

Schaarste is, net als in het liberalisme, ook voor Tinbergen een kernbegrip. Binnen het sociale gebeuren van de economie is schaarste bron van de concrete macht om de inkomensverdeling in een bepaalde richting te sturen. Daarbij gaat het vooral om de primaire inkomensverdeling, dat wil zeggen de inkomensverdeling die ontstaat in het productieproces zelf, tussen de verschillende eigenaars van de ‘productiefactoren’. Tinbergen benadrukt, dat ongelijkheid in de primaire inkomensverdeling vooral ontstaat als sommige productiefactoren schaars zijn. Beschikking daarover hebben betekent dan dat men een groot deel van de vruchten van het productieproces kan opeisen. Maar schaarste is niet alleen een natuurlijk gegeven, maar kan ook gemanipuleerd, georganiseerd worden. Het doelbewust beperken van het aanbod is van oudsher een middel om de prijs hoog te houden en inkomens te beschermen. Dat varieert van het doordraaien van groente en fruit tot het wettelijk beschermen van patenten en het ontoegankelijk verklaren van bepaalde beroepsgroepen tenzij aan hoge toelatingseisen is voldaan. Niet alle schaarste wordt echter gemanipuleerd of georganiseerd. Er zijn objectieve en tegelijk beïnvloedbare factoren op langere termijn, die de ‘schaarste’ mede bepalen. Tinbergen laat zien hoe met name deze factoren instrumenten kunnen worden voor een betere verdeling. Twee voorbeelden.

Landbezit en onderwijs

Men zou de uiterst scheve inkomensverdeling tussen grootgrondbezitters en landarbeiders in veel ontwikkelingslanden kunnen zien als het resultaat van schaarste aan vruchtbaar land, een schaarste die bovendien veelal sterk gemanipuleerd wordt doordat grootgrondbezitters zich met hand en tand tegen landhervorming verzetten. De onmacht van landarbeiders om zichzelf in vakbonden te organiseren, vindt veelal zijn oorzaak in het grote aantal arbeiders dat bereid is nog tegen een hongerloon te werken, de toevloed van migranten en manipulaties van de arbeidsmarkt door werkgevers. Tinbergen wijst er nu op, dat de demografische ontwikkeling de inkomensverdeling op de duur beslissend beïnvloedt. Zo zou de relatieve schaarste aan ongeschoolde arbeidskrachten die op het Indiase platteland zou zijn ontstaan, als de jaarlijkse bevolkingsgroei vanaf de onafhankelijkheid één procent per jaar lager was geweest, een grote opwaartse druk op de lonen van landarbeiders hebben uitgeoefend. De thans in India in gang gezette daling van de bevolkingsgroei is van grote betekenis voor een betere verdeling.

Een tweede voorbeeld betreft de rol van onderwijs. Hoewel niet alle verschillen in menselijke talenten door onderwijs opgeheven kunnen worden, is er een groot spectrum aan menselijke capaciteiten dat aangeleerd kan worden. Zelfs gedeeltelijke overerving van verworven eigenschappen kan over generaties heen plaats vinden. Uitbreiding van onderwijs leidt dus op de duur tot minder schaarste aan opgeleide mensen en groter schaarste aan ongeschoolde mensen, met gunstige verdelingseffecten. Wanneer participatie van meisjes in het onderwijs een punt van aandacht is, heeft dat zowel positieve gevolgen voor de inkomensverdeling tussen mannen en vrouwen, als - via een lagere bevolkingsgroei - voor de inkomensverdeling in het algemeen. De Indiase deelstaat Kerala laat zien, hoe dan een zichzelf versterkende emancipatiebeweging mogelijk wordt met verstrekkende gevolgen.

Het stelsel

De mate waarin schaarste op de ‘markt’ de inkomensverdeling bepaalt, hangt ook af van het economische stelsel, waarvan de ‘markt’ onderdeel vormt. Dit aspect heeft in de afgelopen anderhalve eeuw aanleiding gegeven tot een wereldomspannend ideologisch conflict tussen twee elkaar bestrijdende ‘stelsels’, met een onvoorstelbaar aantal slachtoffers. De wortels van dat conflict zijn te vinden in de ambiguïteit van het mensbeeld, dat de Verlichting ons naliet, met name ten aanzien van de sociale dimensie van het vrijheidsbegrip. Die dubbelzinnigheid leidde tot conflicterende politieke invulling van de verhouding individu-staat, overheid- markt (of economische vrijheid), waarbij zowel liberalisme als socialisme zich erop beriepen de rechtmatige erfgenaam van de Verlichting te zijn. Tinbergens keuze voor de sociaal-democratie berustte ook op inzichten en ervaringen die in de rijke landen zelf zijn opgedaan. Daar is sprake van een drievoudige overheidsinvloed op het marktgebeuren. De overheid kan allereerst door wetgeving een directe corrigerende invloed uitoefenen op de economische vrijheid. Een voorbeeld is anti-kartel wetgeving, die misbruik van ‘schaarste macht’ op de markt tegengaat. Op de tweede plaats kan de overheid de lange termijn ontwikkelingen op de (arbeids)markt beïnvloeden, bijvoorbeeld door onderwijs.

Tenslotte kan de overheid door progressieve belastingen en sociale uitkeringen een secundaire herverdeling uitvoeren bovenop de primaire verdeling. Zij die niet actief aan het productieproces kunnen deelnemen zijn zelfs helemaal aangewezen op deze voorzieningen. Tinbergen hamert vooral op dat laatste. In een van zijn laatste publicaties geeft Tinbergen vergelijkende cijfers over het percentage van het Bruto Binnenlands Product dat in diverse landen via de nationale overheid wordt herverdeeld: Rwanda 0,3 % ; Bangladesh 2.1 % ; Bolivia 2,3 % ; Japan 6 % ; Verenigde Staten 12,6 % ; Zweden 33,7 %. Hij stelt daarbij de arme landen het voorbeeld voor ogen van de rijkere landen. Het betreft daarbij een betere verdeling binnen landen. Tegelijk past Tinbergen in dat artikel de sociaal-democratie toe op wereldniveau. Hij verbindt de gedachte van een wereldbestuur, waarvan hij de aanzet in de Verenigde Naties ziet, met die van een wereldbelastingstelsel. Verplichte inkomensoverdrachten tussen landen moeten de primaire inkomensverdeling, zoals die tot stand komt in het onderlinge handels en kapitaalverkeer tussen landen, corrigeren.

Tinbergen zag een analogie tussen enerzijds de lage grondstoffenprijzen en voor ontwikkelingslanden ongunstige handelsvoorwaarden en anderzijds de lage arbeidsbeloning tijdens de industriële revolutie. Zoals de arbeiders zichzelf moesten helpen door zich te organiseren om zo economische en politieke druk uit te kunnen oefenen, zo ook moeten de ontwikkelingslanden op internationaal niveau hun krachten bundelen. Ze moeten van de rijke landen die de regels van de wereldhandel bepalen, gedaan krijgen, dat er meer rekening gehouden wordt met hun belangen. Zowel het corrigeren van wereldmarkten in de richting van een betere primaire inkomensverdeling tussen landen, als secundaire financiële overdrachten en technische hulpverlening in het kader van ontwikkelingssamenwerking zouden aan de orde moeten komen. Tinbergen was toen voorzitter van het UN Committee for Development Planning, belast met de voorbereiding van het Tweede Ontwikkelingsdecennium (1970-1980). Hij speelde een sleutelrol in de principiële aanvaarding binnen de Algemene Vergadering van de VN van de befaamde resolutie inzake de 0,7 % hulpverlening.

Toch ging in de jaren zestig eerder veel meer aandacht uit naar de primaire verdeling. ‘Trade, not Aid’ was het motto waarmee de UNCTAD in 1964 van start ging. Op de eerste bijeenkomst werd een voorstel, mede opgesteld door Jan Tinbergen, besproken voor een andere inrichting van het wereldgeldstelsel, dat door de koppeling van de waarde van de reserve valuta aan de grondstoffenprijzen grote voordelen voor de ontwikkelingslanden zou bieden. Uiteindelijk perspectief leek een nieuwe internationale orde, welke werkelijke publieke macht belichaamt om ‘internationale sociale wetgeving’ op te leggen. We weten wat kort daarna gebeurde. Het leek er even op dat de vorming van het OPEC-kartel een stap was in de gewenste richting. Want toen deze landen eenzijdig de olieprijs drastisch verhoogden, kwam de zaak even in beweging. Er kwam een Speciale Zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, welke een verklaring en actieprogramma voor de Nieuwe Internationale Orde aanvaardde. Maar vooral door de politieke manoeuvres van de rijke landen bleef dit machteloos papier. Het Westen probeerde met succes onder de economische macht van de OPEC uit te komen door de schaarsteverminderende maatregelen (energiebesparing, aanboren van eigen oliebronnen). Het ene na het andere OPEC-land werd door het Westen gecoöpteerd, waarbij er met name een grootschalige militarisering in het Midden Oosten optrad. Zeer omvangrijke wapenaankopen van Saoedi-Arabië, Iran en Irak werden betaald met oliedollars. De verhoopte solidariteit van OPEC met de rest van de ontwikkelingswereld bleef marginaal.

Wij zijn nu bijna vijftig jaar verder. Het einde van de Koude Oorlog was een ogenblik van intense hoop, maar ook dat werd opnieuw overschaduwd door nieuwe gewelddadigheden. Daarbij voegden zich de onheilspellende milieu- en klimaatcrisis en in de laatste jaren een financieel -economische crisis. Op het ogenblik lijken wij een absoluut dieptepunt mee te maken.

Voorbije droom?

Waar blijft Tinbergens visie? Is het een voorbije droom? De wereldverhoudingen, en zeker de tegenstellingen tussen arm en rijk, zijn veel onoverzichtelijker geworden dan in die dagen toen Jan Tinbergen zo helder onderscheid maakte tussen de inkomensverdeling tussen landen en binnen landen. Geldt dat onderscheid nog wel in een wereld waarin de elites, die op allerlei manieren verbonden zijn met wereldkapitaal, ook in veel ontwikkelingslanden profiteren van een ‘globalisering’, waarvan armen het gelag betalen ? Er is thans een sterke neiging om de betekenis van publiek herverdeling, en in het algemeen de rol van overheden, te onderschatten. Zoals Tinbergen aan het einde van zijn leven reeds voorzag, de ideologische conjunctuur is veel te veel in de richting van ‘laissez faire’. Op dit ogenblik lijkt het tweevoudige centrale politieke vraagstuk juist ten eerste hoe de rol van de overheid op een gezonde manier versterkt kan worden in goed samenspel met de civiele sector en het bedrijfsleven; ten tweede hoe de overheden op de juiste manier transnationaal gaan samenwerken.

Het gaat er nu om het wereldwelzijn te maximeren onder randvoorwaarden, en vooral om de vertaling daarvan in een nieuwe een meer rechtvaardige economische orde. Joseph Stiglitz heeft in zijn boek ‘Eerlijke Globalisering’ een aanzet gegeven en laten zien, dat het mogelijk is tot een meer eerlijk en daardoor meer werkbare internationale orde te komen, waarin de armen meer tot hun recht komen. Hij spreekt daarin van een nieuw mondiaal sociaal contract.

Enkele hoofdelementen zijn:

Eerlijke handel

Bij opbouw van een rechtvaardige internationale orde zullen onderhandelingen over de uitruil van commerciële belangen van de verschillenden landen in de wereld een centrale rol blijven spelen. Het schoolvoorbeeld van dit proces is wat er gebeurt in de WTO. Het leidende beginsel daar is ‘vrijhandel’, dat wil zeggen handel zonder overheidsinterventies, zoals importbelemmeringen en subsidies. Het gemeenschappelijke belang op langere termijn van een zo vrij mogelijke wereldhandel maakt dat landen toetreden tot de WTO en zich aan de spelregels inclusief de sancties onderwerpen. Maar onderhandelen over belangenuitruil is nog iets anders dan het rekening houden met waarden, zoals rechtvaardigheid en duurzaamheid.

Drie voorstellen voor verbetering:

1) Rijke landen moeten hun markten compleet openstellen voor alle producten afkomstig uit de armere landen zonder wederkerigheid te eisen,
2) In WTO verband en in samenwerking met andere internationale instellingen moeten aanvullende procedures worden ontworpen ter voorkoming van uitbuiting van mens en natuur,
3) De regels inzake intellectueel eigendom moeten rekening houden met elementaire mensenrechten (toegang tot betaalbare levensreddende medicijnen en verbod op bio-piraterij).
Bodemschatten
Het hebben van bodemschatten is voor arme landen vaak een vloek, vanwege de hebzucht en corruptie die tot verrijking en conflicten leidt.
Er moet een internationale overeenkomst komen tegen smeergeld
Arme landen moeten in hun onderhandelingen met multinationale ondernemingen gesteund worden, zodat meer van de opbrengsten in het land zelf blijft.

Klimaatverandering

Er moet een koolstofbelasting worden afgesproken, die gelijkelijk geldt voor alle uitstoot van CO-2, waar ook ter wereld

Multinationale ondernemingen

De macht van multinationale ondernemingen moet door een mondiale mededingingsautoriteit worden beperkt. Strafrechtelijk optreden moet mogelijk worden tegen functionarissen die zich aan misdrijven schuldig maken. Maatschappelijk verantwoord ondernemen moet systematisch worden beloond.

Schuldenproblematiek

Een internationale faillissementswetgeving moet het mogelijk maken arme landen die in onoverkomelijke schuldsituatie zijn geraakt een herstart te geven.

Wereldgeldstelsel

De dollar als wereldreserve-valuta moet vervangen worden door een nieuwe niet aan enige nationale valuta gekoppelde reserve- munt, vergelijkbaar met SDR. SDR’s worden echter door het IMF te onregelmatig en vooral ten gunste van de rijke landen uitgegeven. Bij de uitgifte en besteding van de nieuwe reservemunt moet de financiering van mondiale publieke goederen zoals gezondheidszorg en milieubeheer en de behoeften van arme landen prioriteit krijgen.

Deze en andere voorstellen vinden nog weinig gehoor. Is het vermetel in deze verwarde wereld opnieuw de visie van Tinbergen te articuleren ? Opnieuw uit te spreken dat het politieke doel waarheen we op weg zijn ‘wereldeenheid’is ? En dat die eenheid belichaamd moet worden in een wereldorganisatie, welke over effectieve macht tot herverdeling beschikt? Het grootste obstakel daarvoor lijkt van ideologische aard: verzet tegen menselijke gelijkberechtiging, vermomd als verzet tegen menselijke gelijkschakeling! Toch dient het terecht ijveren voor culturele verscheidenheid, voor godsdienstige veelkleurigheid, voor autonomie en uniciteit van de persoon binnen het groeiende lichaam van de mensheid juist gepaard te gaan met de weigering dubbele standaarden aan te leggen ten aanzien sociaal-economische mensenrechten.

Een sociale zekerheidsvloer

In de geest van Tinbergen stelt Piet Terhal het volgende voor:
Op grond van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens moet over tien jaar de wereldgemeenschap iedere wereldburger in beginsel een minimaal pakket sociaal economische basisvoorzieningen garanderen (‘a global social security floor’). Met name in kringen van de de ILO is hierover nagedacht. Men schat de jaarlijkse kosten van een dergelijk vangnet op 380 miljard dollar. Zo’n systeem zou kunnen bestaan uit:

- Toegang tot gezondheidszorg door middel van een uitgekiende combinatie van publieke en private voorziening gebaseerd op verzekering en belasting,
- Toelagen voor gezinnen met kinderen die het mogelijk maken dat kinderen naar school gaan,
- Een sociale bijstand gebaseerd op het recht op werk tegen menswaardige beloning voor hen die daartoe in staat zijn,
- Een systeem van een oude-dagsvoorziening en voorzieningen voor hen die niet kunnen werken of gehandicapt zijn gebaseerd op gezinsbehoeften.


 

Welkom