|
De stedebouwkundige Robert Schütte (1951) levert onderstaande bijdrage,
geïnspireerd door de oproep voor de Banningprijs 2008.
Zeker weten?
Door Robert Schütte
Dit is niet een tekst over zekerheden. Maar het is mogelijk dat u na
lezing van een aantal onzekerheden bent verlost. Misschien dat u na
lezing twijfelt aan uw zekerheden.
Dat is dan een prettige bijkomstigheid. Want zo overkwam het mij. Van
ingewikkelde teksten maak ik geen gebruik. Wel van mijn eigen ervaring.
En zo uniek ben ik niet. Die ervaring zou best eens ook die van u kunnen
zijn.
In 1995 was ik in Johannesburg. Inderdaad lang geleden en mijn eerste
confrontatie met een cultuur die de vanzelfsprekende verworvenheden van
vrijheid en democratie niet kent. De apartheid was afgeschaft en Mandela
was president. Maar veel mensen moesten nog zelf zien hoe ze aan een
inkomen en een onderdak kwamen. Ik reed rond met een collega die me
triomfantelijk op één van zijn ideeën wees. De kraan aan de zijgevel van
de supermarkt was me niet opgevallen. Ik zag jongetjes met emmers water
heen en weer sjouwen. De auto’s werden gewassen terwijl de klanten
boodschappen deden. Een bron van inkomsten voor jonge zwarte kinderen
uit de squatercamps en townships.
‘In plaats van de blik op de progressieve norm te richten die zo snel
ontaardt in een slakkegang, lette men op de beweeglijkheid in de marge’
(P. Sloterdijk; Eurotaoisme; AP 1989; p.14). Gewend als ik was de
structuren te zien, de grote lijnen, had ik gezocht naar ordening, naar
regulering. Het unieke, de kans zag ik over het hoofd. ‘Zeker’ werd
vanaf dat moment ‘misschien’; weten werd vragen.
‘...lette men op de beweeglijkheid in de marge!’ Zo'n zin inspireert,
maar de gewoonte is hardnekkig. Wie werkelijk een andere weg wil gaan,
komt barrières tegen. De nieuwe weg begint immers bij nieuwe vragen.
Maar hoe kan ik nieuwe vragen stellen als ik slechts oude begrippen heb?
Dat is al een eerste barrière. Wat mij brengt bij een volgende: het
denken zet iets in beweging, maar het is nog niet duidelijk wat. Die
onzekerheid trekt een wissel op ons denken. Open einden zijn
ongemakkelijk. Iets herkenbaars brengt redding. Maar daarmee wordt het
onduidelijke, het onzekere meteen geannexeerd in een andere traditie.
Bijvoorbeeld die van het probleem en de oplossing. De kraan in
Johannesburg was een minimale ingreep, een gebaar in de marge. Maar de
kraan behoort nu tot de ‘informele economie’.
‘Niet de blik vooruit, maar de blik opzij’, zei Paul Bosse nog, filosoof
en docent aan de academie van bouwkunst, Rotterdam. Dus de tekens,
opmerkingen, aantekeningen en reacties die we maken in de kantlijn.
Daarin past ook de verspreking, de verschrijving, de aarzeling, de
aanzet, de poging. De hoofdstroom, dat is generalisaties waarmee groepen
mensen worden samengevat; algemeenheden waarmee we gebeurtenissen
typeren; de vanzelfsprekendheid van de vraagstukken; de propaganda van
de oplossingen. De kantlijn is de levens die mensen leiden, individueel,
met familie en vrienden. Hun gedrag, hun gedachten en verlangens. Welke
prachtige verhalen spelen zich niet af rond die kraan: onderhandelingen,
een ruzie, een liefdegeschiedenis, hoop en teleurstelling. Wezenlijke
gebeurtenissen in vele levens, op een parkeerterrein rond een kraan.
Informele economie? Het woord heeft de kans bezworen. Het heeft het idee
statisch gemaakt.
De opgave is de kantlijn te lezen, te verkennen, zonder deze tot nieuwe
hoofdstroom te maken. Die hoofdstroom kennen we allemaal als ‘vraagstuk’
of ‘problematiek’. Lees de krant er maar op na: het
allochtonenvraagstuk, de integratieproblematiek, de vergrijzing, de
zesjescultuur, de babyboomers, de zwaarlijvigheid. Generalisaties die
feitelijk over mensen gaan, over de kantlijn. Want achter de toonbank
bij de Turkse slager staat geen allochtonenvraagstuk; de caissière van
de supermarkt is geen integratieprobleem; onze buurvrouw van zeventig is
niet de vergrijzing en die babyboomers aan de overkant lijken net die
dertigers van daarnaast.
Bij de Turkse slager en de supermarkt doen we onze boodschappen, we
wisselen nieuwtjes uit en informeren naar elkaars gezondheid. Met de
buren maken we een praatje over het weer en over de familie. Ze lenen de
krant en wij geven de planten water als ze op vakantie zijn. En ook al
zijn de persoonlijke uitwisselingen soms opvallend oppervlakkig (‘hoe
gaat het? Goeoed!), we voelen ons prettig in een omgeving waarin mensen
elkaar groeten. Het maakt die omgeving overzichtelijk. Verder weten we
niet zo veel van elkaar. En elke keer als ik iets over een vraagstuk
lees, kijk ik om heen maar zie het niet. Als een politicus weer een
problematiek schetst, vraag ik mij af over wie dat gaat. Ik wil de
vraagstukken vergeten en naar de mensen kijken.
Het is belangrijk dat we de ander als individu tegemoet treden. Amartya
Sen maakt in verschillende interviews duidelijk dat we het individu niet
moeten benaderen als vertegenwoordiger van een beschaving (cultuur,
religie), maar dat deze meerdere identiteiten heeft. Dat gaat niet over
allochtonen. Dat gaat over ons allemaal. In het buitenland ben ik een
Nederlander. Maar wat voor Nederlander? Mijn levensovertuigingen laat ik
niet graag reduceren tot een nationaliteit. ‘De beschavingsdimensie is
een erg arme manier om mensen te begrijpen.’ (Amartya Sen, ‘De
globalisering is van iedereen’). Zodra we elkaar reduceren tot een
cultuur, een religie of een (politiek) gedachtegoed, zolang we de ander
alleen nog zien als vertegenwoordiger van een groep, stopt het open
debat. En dat geldt ook voor de vraagstukken. Die lossen we niet op door
ze ontkennen. Maar zeker niet door te ontkennen dat we het over
individuen hebben.
Het is lastig om oude gewoontes af te leren. Om bekende gezichten
opnieuw te zien. Ik wil af van die grote woorden, uit de hoofdstroom
treden. Vanuit de kantlijn wil ik graag een open democratisch debat
voeren. Want dat was de vraag: ‘…is onzekerheid een voorwaarde voor een
open democratisch debat?’ Niet onzekerheid, maar de bereidheid eigen
zekerheden ter discussie te stellen. Geen onzekerheid, maar
beweeglijkheid.
Nieuwe vormen van spiritualiteit zijn daarvoor niet nodig, net zo min
als oude. Om het denken beweeglijk te houden moeten we de taal
beweeglijk houden. Woorden die willen overtuigen, die willen bewijzen,
zijn niet het voermiddel van communicatie, maar wapens in de strijd.
‘... het echte geweld [is] het geweld van het dat-spreekt-vanzelf: wat
evident is, is gewelddadig, zelfs wanneer deze evidentie op zachte toon,
met liberaal fatsoen en democratisch wordt uitgedragen; ...’ (Roland
Barthes; Roland Barthes door Roland Barthes; SUN 1991, 1975, p.93).
Wilt u reageren op deze column? Mail naar
Secretariaat@zingeving.net.
|