Jacq.Wallage, burgemeester van Groningen, voor de Banning
Werkgemeenschap voor de PvdA op zaterdag 22 november 2008 in Utrecht:
Als je progressieve moslims wilt steunen, moet je niet de islam ter
discussie stellen
De taak van een politieke partij is te werven voor de
toekomstvisie, die haar voor ogen staat. De kernopdracht voor een
politieke partij is dus niet alleen ‘het hebben van een mening’. Men
dient er ook voor te zorgen, dat zoveel mensen die mening gaan delen,
dat deze opvattingen door democratisch gelegitimeerde macht
gerealiseerd kunnen worden. Discussie, debat, polarisatie of niet, het
staat ten dienste van die kernopdracht, te overtuigen en daardoor de
voorwaarden te scheppen de werkelijkheid te veranderen.
Om de verhouding tussen religie en sociaaldemocratie te verkennen
moet dan ook allereerst worden vastgesteld, dat wie de idealen van de
sociaaldemocratie onderschrijft niet blanco in de wereld staat.
Voorstellen om de ongelijkheid te vergroten verdienen bestrijding.
Opvattingen, die de gelijkwaardig van mensen aantasten evenzeer. Binnen
de krijtlijnen van onze politieke organisatie lopen wij niet op
kousenvoeten. Maar wie stampvoetend met veel geraas door de
porseleinkast wil, moet zich wel afvragen welk doel die scherpte dient.
Hoe om te gaan met de rol van religie, met opvattingen binnen religies,
met orthodoxe standpunten wanneer deze in strijd zijn met onze
politieke positie, begint en eindigt met het inzicht ‘die Gedanken sind
frei…’.
Godsdienst is een zaak van burgers, van individuen. Vrijheid van
godsdienst is meer dan het recht die geloofsovertuiging te beleven, met
anderen te delen, te vieren. De overheid, het openbaar bestuur, heeft
die ruimte te verdedigen. Dat is meer dan toestaan alleen. Net als alle
andere grondwettelijke vrijheden doet het passief bieden van ruimte
geen recht aan het feit, dat die grondrechten gezamenlijk onze
rechtstatelijke identiteit vormen. En dat spanning tussen die
grondrechten om een behoedzame, zorgvuldige afweging vraagt.
De vrijheid van godsdienst is evenmin als die andere vrijheden
absoluut. Wie op religieuze gronden oproept tot gewapende strijd is
strafbaar. Het ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’ is
geen lege huls. Het dwingt tot evenwicht tussen de grondrechten. En
uiteindelijk is het de rechter die bepaalt wat het zwaarste moet wegen.
Hetzelfde geldt voor de vrijheid van meningsuiting. Die is ruim en –
vanuit de overheid bezien – op voorhand slechts beperkt door die
verantwoordelijkheid voor de wet. De vraag of men als politieke partij
de grenzen moet opzoeken dient afgewogen te worden tegen het doel, dat
men wil dienen. Je kunt het bekritiseren van religieuze opvattingen op
je agenda zetten, maar niet zonder je te verantwoorden voor de vraag of
dat de realisatie van onze politieke doeleinden dichterbij brengt.
Misschien is een klein uitstapje in de geschiedenis hier nuttig.
Toen de leiding van de SDAP tekende voor de pacificatie, waarmee de
schoolstrijd werd beëindigd en algemeen kiesrecht werd geïntroduceerd,
leverde dat binnen die partij een fel debat op. Troelstra werd verweten
de belangen van het openbaar onderwijs te hebben verkwanseld. Zijn
verweer was kort gezegd: ik wil niet dat onze sociale strijd, waarvoor
bundeling nodig is van religieuze- en niet-religieuze werknemers, wordt
belemmerd doordat de partij alleen nog als representant voor de
niet-gelovige werkers wordt gezien. Hij bracht daarmee de SDAP in de
positie dat zij, zonder de voorkeur voor openbaar onderwijs op te
geven, allereerst de vrijheid van onderwijs verdedigde. De
gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs legde de keuze
tussen die twee systeemdelen terug waar hij hoort, bij de ouders. De
partij kiest geen school, dat doen ouders. En voor zover de overheid
die vrijheid van onderwijs wil inperken, bijvoorbeeld door aan
onderwijs kwaliteitseisen te stellen, moet dat bij wet en dan gelden
die eisen voor iedereen. Een interessante parallel van ene aantal
vraagstukken waarvoor we nu staan.
Troelstra’s motief bracht een rangorde aan in het belang dat aan
verschillende politieke doelstellingen wordt toegekend, in plaats van
geïsoleerde uitspraken te doen over ieder doel afzonderlijk.
Verschillen in religie mogen niet in de weg staan aan het bereiken van
emancipatoire doeleinden. Daar lag toen voor die beweging de
prioriteit.
De Doorbraak na de Tweede Wereldoorlog, in wier voetspoor we hier
vandaag bijeen zijn, laat een zelfde benadering zien. Waren veel leden
van de SDAP voor de oorlog vaak ronduit antireligieus, de nieuw
gevormde PvdA verwelkomde gelovige leden in de partij, omdat niet die
verschillende, persoonlijke geloofsovertuigingen centraal stonden, maar
de politieke conclusies waartoe die leidden. En het minimum wat
iedereen van de nieuwe partij mocht verwachten was dat ze respectvol
met die verschillende religieuze achtergronden zou omgaan. Sterker nog,
door de diversiteit van het ledenbestand en de gemeenschappelijke
politieke inzet verwachtte men gezamenlijk sterker te staan in de
vernieuwing van de samenleving.
Natuurlijk lost deze respectvolle omgang met de pluriformiteit van ons
ledenbestand de spanning niet op, die kan bestaan tussen het
partijprogram en de leerstellingen van de religie, die men belijdt. Het
drama van het Mandement, de verkettering van Katholieken die lid werden
van de PvdA of van de VARA en het NVV spreekt daarover boekdelen. De
Kerk vond dat men geen goede katholiek kon zijn wanneer men voor de
sociaaldemocratie koos. Waar wij in de actualiteit van nu voor op
moeten passen is dat wij bijvoorbeeld moslimleden van onze partij de
maat gaan nemen met betrekking tot hun religieuze opvattingen. Een
soort omgekeerd Mandement: je kunt geen goede sociaaldemocraat zijn als
je geen afstand neemt van een aantal binnen jouw geloof verkondigde
opvattingen.
Wie voor de sociaaldemocratie kiest kent onze opvattingen over de
gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, van homo’s en hetero’s. Hoe
men met die spanning omgaat, is vaak voor de betrokkenen al lastig
genoeg. Dat vraagstuk hoeven wij niet nog eens te verzwaren, zoals de
bisschoppen dat tegenover de katholieke leden van onze partij ooit
deden.
Uiteindelijk telt hier vooral of wij in onze uitingen, in onze bijdrage
aan het publieke debat de veel beleden solidariteit met een grote ‘S’
ook kunnen omzetten in kameraadschap met een bescheiden ‘k’.
Is daarmee religiekritiek uit den Boze? Ook hier helpt ons misschien de
ervaringen uit het verleden. Toen de partij zich inzette voor een
nieuwe regeling op het gebied van abortus werden wij vermanend
toegesproken vanuit het behoudende deel van de katholieke kerk? Waren
wij onder de indruk?
Ik dacht het niet. Toen we bij de euthanasiewetgeving het
zelfbeschikkingsrecht van de mens centraal stelden mengden sommige
kerken zich in dat seculiere debat. Wij trokken ons nadrukkelijk terug
op ons veilige publieke domein. We namen onze eigen
verantwoordelijkheid.
Wie progressieve moslims een steun in de rug wil geven helpt hen niet
door de Islam als zodanig ter discussie te stellen. Wie de greep van de
orthodoxie op met name jongeren wil beperken bewijst zichzelf én die
jongeren geen dienst door negatief over hun geloof te spreken. Kort en
goed: binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting kan veel
worden gezegd. Maar vanuit een politieke beweging behoort wel de vraag
gesteld te worden of al die scherpte en polarisatie bijdraagt aan de
emancipatie van migranten, waarom het ons naar ik aanneem uiteindelijk
te doen is.
Per saldo gaat het me niet om de toon van het debat, maar over het
doel ervan. Wie draagvlak zoekt voor een progressieve politiek,
inclusief het in ons land bereikte niveau van emancipatie, doet er goed
aan in zijn uitingen de kameraadschap centraal te stellen. Wie wil dat
meer moslims participeren in onze democratie dient hen uitnodigend
tegemoet te treden.
Als het er om gaat de autochtone Nederlanders geruststellende signalen
te geven, dat wij hun problemen begrijpen, laten we dat dan niet doen
door migranten en hun kinderen van ons te vervreemden. Denk aan
Troelstra: wij willen iedereen bundelen, die voor een solidaire, op
gelijkwaardigheid gebaseerde samenleving staat. Alle vraagstukken van
religie, van samenleven, van de buurt en de straat kunnen daarbij aan
de orde komen. Maar altijd zo dat wij de goedwillenden bundelen. En
nooit zo, dat zij zich weggezet voelen om het enkele feit dat zij uit
Marokko afkomstig zijn, of moslim zijn, of uiterlijke tekenen van hun
religie en cultuur dragen. Dat gaat om veel meer dan toon, dat gaat om
de vraag of ons optreden de scheiding tussen wij en zij benadrukt, of
dat wij laten voelen dat het om ‘ons’ gaat.
Na de hereniging van de beide Duitslanden zei een West-Duitser tegen
een Oost-Duitser: “Wir sind ein Volk”. Toen antwoordde de Oost-Duitser:
“Wir auch”.
Extreem rechts heeft ons opgezadeld met een paradigma, waarin wat
verdeeldheid zaait tussen mensen in ons land centraal wordt geplaatst.
Het is de hoogste tijd dat onze partij van een benadering uitgaat,
waarin wat mensen verbindt weer de boventoon voert. Dat gaat om
maatschappelijke deelname, om opleiding, om inkomen en om werk. En dat
gaat om de ruimte geloof en identiteit te beleven, zoals dat in een
democratische rechtstaat past. Wie die verbinding zoekt vindt
bondgenoten om wangedrag en uitwassen te bestrijden. Die doet iets waar
Nederland groot mee is geworden, die vindt eenheid in verscheidenheid.
Lees ook de bijdrage van Ahmed Marcouch
op dezelfde bijeenkomst
|