Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Banning Werkgemeenschap
.... Over de BWG
.... Archief PWG

Rede van Job Cohen bij de Banning Werkgemeenschap, 6 november 2011, De Rode Hoed, Amsterdam

Zijn ‘we’ er nog?

‘Een sterke gemeenschap en sterke individuen worden verbonden door een sterke publieke sector, door eerlijke solidariteit en door een gedeeld verhaal’

"Ik wil beginnen met twee verhalen. Allereerst over mijn moeder. Zij zat op 26 november 1940 in de Leidse collegezaal waar de rechtsgeleerde Rudolph Cleveringa zijn beroemde rede hield tegen het ontslag van Joodse docenten door de Duitse bezetter. Voor mijn moeder voelden de woorden van Cleveringa ‘als balsem op haar twijfelende ziel’. Ze zou het nog zwaar krijgen tijdens de oorlog, maar op dat moment werd haar het gevoel gegeven: ’Ik hoor erbij’. Drie woorden maar, maar een heel eenvoudige zin waarachter een complexe werkelijkheid schuilging. Mijn moeder was een jonge vrouw die in Nederland geboren en getogen was. Een Nederlandse vrouw uit een liberaaljoods gezin die Nederland kende als een land waarin een geest heerste van volstrekte verdraagzaamheid op ieder gebied: afkomst, sekse godsdienst en ras. En opeens, in 1940 was deze jonge Nederlandse vrouw veranderd in een vreemde, iemand die er niet bij hoorde als het aan de Duitsers lag.

Het tweede verhaal gaat over Chris Langan. Langan, met een IQ van 195 wel de slimste man van de VS genoemd, werd bekend door zijn deelname aan 1 tegen 100 waar hij 250.000 dollar mee verdiende. Waarom doet iemand met zo een IQ mee aan zo’n spelletje, waarom staat hij niet aan de top van de wereld in de meritocratische Verenigde Staten? Chris Langans moeder was vervreemd van haar familie, zijn vader had de benen genomen voordat hij was geboren, de tweede man van zijn moeder werd vermoord, de derde pleegde zelfmoord en de vierde was een geflopte journalist en alcoholist. Ze leefden in een klein dorp waar ze als losers werden gezien en als outsiders behandeld werden. Chris werkte voornamelijk op het land, maar kreeg toch een beurs om te studeren, die hij vervolgens verloor omdat zijn moeder verzuimde de vereiste financiële verklaring te geven. De school interesseerde het niks, er was geen hulp of mentoring, en Chris verliet de school met onvoldoendes door de gemiste examens om in de bouw te gaan werken. Ook zijn tweede poging om te studeren faalde, simpelweg omdat de treinrails naar school verbouwd werd en Chris geen auto kon betalen. Het laat zien dat deze jongen, met zoveel intelligentie, toch de sociale intelligentie en steun van de gemeenschap miste om er iets mee te kunnen doen.

Spanning

Als we spreken over de spanning tussen individu en gemeenschap gaat het aan de ene kant over hoe de knellende banden van de gemeenschap een individu onderdrukken. Denk aan de onbespreekbaarheid van homoseksualiteit in sommige religieuze en culturele gemeenschappen. En aan de andere kant gaat het over hoe de enorme toename van vrijheid en autonomie in onze samenleving - de dikke IK - de gemeenschap bedreigt - (het grote WIJ). Noem het tegengestelde ABC-tjes. Auto, Boot, Caravan versus Aandacht, Betrokkenheid, Communicatie. Als je er zo naar kijkt lijken het communicerende vaten: een teveel aan gemeenschap verkleint de ruimte voor het individu. Een teveel aan individu is funest voor de gemeenschap.

Maar ik ben begonnen met juist deze twee verhalen omdat die iets anders laten zien: individu en gemeenschap, ze kunnen niet zonder elkaar. Een gespleten WIJ (een WIJ dat uitsluit in plaats van insluit) - of een afwezig WIJ (waar het individu het zelf maar moet uitzoeken) bedreigt de autonomie en ontplooiing van het individu. Ik en WIJ - individu en gemeenschap - ze kunnen niet zonder elkaar. Net als een gemeenschap niet zonder de inzet van sterke individuen kan, floreert het individu niet zonder de steun van een gemeenschap. Het zijn geen communicerende vaten. Een sterke gemeenschap en sterke individuen gaan goed samen, versterken elkaar mits beide bewust zijn van beider belang.

De gedachte dat individu en gemeenschap elkaar versterken en nodig hebben ligt al besloten in de oeropdracht van de sociaaldemocratie: verheffing van de arbeiders, kansen op individuele ontplooiing, verbetering van de krotten waarin mensen woonden, arbeidsomstandigheden waar uitbuiting van werknemers aan de orde van de dag was - de route voor verbetering lag bij het vormen van een sterke gemeenschap die in staat was tot collectieve actie en waarin risico’s gedeeld konden worden. Samenwerking, sociale verzekeringen, krachten bundelen tegen kapitaal etc.

Dat neemt niet weg dat de spanning tussen gemeenschap en individu wel degelijk bestaat. Over het algemeen kunnen we stellen dat het individu de afgelopen eeuwen steeds sterker is geworden en de gemeenschap verzwakt.

En ook al weet onze partij als geen ander dat een sterke gemeenschap en sterke individuen samen kunnen, nee moeten, gaan – ook in ons denken bestaat een spanning tussen individu en gemeenschap. Natuurlijk, vaak in reactie op de specifieke problemen van de tijd, pleitten sociaal-democraten dan weer voor meer gemeenschap en dan weer voor meer individu.

Banning

Banning was een gemeenschapsdenker. Na de jaren dertig werd het begrip socialisme gedepolitiseerd. Banning vond de verbreding van de sociaal-democratie van de arbeidersklasse naar de middengroepen essentieel. De overheid had een belangrijke rol om te zorgen dat de klassenstrijd plaats maakte voor samenwerking en het belang van de gemeenschap voorrang had op particulier eigendom en individualisme. Gesellschaft (de zedenloze, ontwrichte en anonieme moderne samenleving) versus Gemeinschaft. Ik citeer Banning in de dag van Morgen (1943) waarin hij zijn ‘personalistisch socialisme’ uitwerkte: ‘er zal radicaal gebroken moeten worden met de idee, dat het in de politieke strijd gaat om macht en machtsverovering. Het gaat thans bovenal om onbaatzuchtige dienst aan onze gehele volksgemeenschap (…) bij de kiezers moet de gedachte niet worden gevoed, dat men een partij stemt omdat die onze belangen behartigt of omdat je er beter van wordt. Dit practisch materialisme, waarop alle partijen zonder uitzondering speculeerden, moet in de nieuwe fase onzer politieke geschiedenis grondig hebben afgedaan: het is thans het uur der gemeenschappelijke verantwoordelijkheid”. (Uit Tromp – over beginselprogramma’s sociaal democratie).

Maken we een sprong naar de jaren zestig, dan zien we dat de verbreding van de sociaal-democratie zich tot weer andere groepen uitstrekte. De emancipatie van vrouwen en minderheden - hier waren het knellende gemeenschapsbanden die het individu beperkten en waar de sociaaldemocratie zich tegen verzette. Democratisering, ontzuiling en secularisering - de richting werd in deze tijd ingeslagen naar vergaande individualisering.
De sociaal-democratie zette zich achter deze beweging, die paste in het denken vanwege de emancipatorische aspecten ervan. Tegelijkertijd was het ook een uitdaging aan de toen bestaande gemeenschappen. Maar het gemeenschapsdenken kreeg even later een volgende aanslag te verduren, en wel van rechts: het neo-liberalisme.

‘There is no such thing as society’. Misschien wel de bekendste uitspraak van Thatcher. In zes woorden geeft het de destructieve werking van het neo-liberalisme op de gemeenschap weer. Het sociale contract waar de Westerse samenlevingen na de Tweede Wereldoorlog op gebouwd zijn, werd door Reagan en Thatcher herschreven. Sociale ongelijkheid werd van probleem ineens oplossing; kapitaal moest niet langer beteugeld worden, maar vrij spel krijgen, de collectiviteit was niet langer een vorm van bevrijding van armoede, achterlijkheid en gebrek, maar juist van knechting van vrije mensen. De tegenstelling werd verpakt in termen van markt en overheid: ruim baan voor de markt, weg met de overheid. De markt - dat was waar het individu floreerde. Waar sociaaldemocraten de overheid vaak zien als ondersteunend aan niet alleen het individu, maar ook de gemeenschap - zie ook Banning - zien conservatieven de overheid juist als bedreiging voor dezelfde gemeenschap. De uitspraak van Thatcher die zij en passant maakte in een vrouwenmagazine, verraadde de destructieve werking van het neo-liberalisme op de gemeenschap.

Naast het links liberalisme en het rechtse liberalisme is er een derde ontwikkeling geweest met zijn oorsprong in de jaren zeventig en tachtig die van grote invloed op de gemeenschap is: de toenemende culturele diversiteit door migratie. Het is gezamenlijk een dodelijke cocktail gebleken voor het WIJ.

Als we spreken over de spanning tussen individu en gemeenschap, dan is de context waar we dat in doen er nu dus een van toegenomen individualisering, fragmentatie, culturele verschillen, differentiatie van levensstijlen. Dat heeft een diepe impact op onze samenleving.
De individualisering en secularisering hebben ertoe geleid dat traditionele ankers, veelal uit het geloof, zijn verdwenen. Daar waren op zichzelf goede redenen voor. Knellende banden die het geloof voor veel mensen met zich meebracht, verdwenen. Dat is op zichzelf winst, maar het betekende ook verlies aan gemeenschap waarvoor weinig in de plaats is gekomen. En het betekent dat mensen nu zelf voor hun eigen zingeving moeten zorgen. Dat is voor velen heel erg moeilijk. Samen kan dat beter. Gebrek aan zingeving leidt tot gevoelens van onveiligheid: waar moet je je aan vasthouden? Samen leidt ook tot meer gevoel van veiligheid: je hoort ergens bij.
De fragmentatie en differentiatie van levensstijlen hebben ook grote consequenties voor ons (on)vermogen om via centraal beleid de publieke sector - voertuig van solidariteit - vorm te geven. De culturele verschillen hebben geleid tot een wij-zij denken in plaats van het grote inclusieve WIJ waarin ook individuen kunnen floreren.

Het PvdA-beginselmanifest besteedt aandacht aan verhouding individu en gemeenschap in deze context. Niet voor niets staat in eerste paragraaf: “Voor de PvdA staat (…) het recht op een fatsoenlijk bestaan centraal. Een bestaan dat een volwaardige participatie in de maatschappij mogelijk maakt, met ruimte voor wie wil en waardigheid voor wie niet kan. Een fatsoenlijke samenleving ontstaat waar vrijheid, solidariteit en verantwoordelijkheid elkaar de hand reiken.” Ook dat tonen bovenstaande voorbeelden. Maar achter deze prachtige zin gaat een wereld van spanning schuil.
Verderop staat: “Solidariteit gedijt op een stevige ondergrond van saamhorigheid en lotsverbondenheid. De toenemende diversiteit zet dat fundament onder druk.” “De sociaal-democratie geeft gemeenschapsvorming, maatschappelijke samenhang en publieke moraal betekenis zonder paternalisme of benepenheid. Dat onderscheidt de sociaal-democratie van het (neo)conservatisme. De sociaal democratie juicht van oudsher toe als mensen zich uit eigen keuze verenigen: om zich op die manier te bevrijden, niet om zich te schikken. Wij pleiten voor een ontspannen samenleving waarin mannen en vrouwen keuzes hebben rond arbeid, zorg, leren en vrijwilligerswerk. Wij verdedigen een vrijzinnige moraal, waarin - tegen de achtergrond van voor iedereen geldende grondrechten - ruimte is voor verschillende levensbeschouwingen, levensstijlen en culturen.” En: “Wie zich bij zijn of haar emancipatie belemmerd weet door de druk van familie, traditie of religie verdient onvoorwaardelijk steun.”

De spanning tussen individu en gemeenschap wordt in deze passages niet opgelost. Je voelt de worsteling die er achter schuil gaat. Het is ook niet oplosbaar, er bestaat een natuurlijke spanning. Maar een van de eerste zinnen van het beginselprogramma: ‘Een fatsoenlijke samenleving ontstaat waar vrijheid, solidariteit en verantwoordelijkheid elkaar de hand reiken’ geeft wel de richting aan: de sociaal-democratie moet streven naar een sterke gemeenschap met sterke individuen, die elkaar versterken in plaats van in de weg zitten. Wij kiezen niet voor de een of de ander, maar voor de versterking van beiden.

Hoofdvraag

Maar dat stelt ons wel voor belangrijke vragen. Solidariteit gedijt immers moeilijk in zeer gefragmenteerde omgeving zonder gevoel van gemeenschap. De vraag: ‘wat delen WIJ? Waarom wil ik solidair met jou zijn, en jij met mij?’ heeft een gemeenschappelijke basis nodig. Is meer dan altruïsme, altijd geweest ook. Een gevoel van lotsverbondenheid is nodig, het delen van basale normen, het gevoel dat WIJ bestaat. Hoe houden we die solidariteit in stand? Of beter: hoe creëren we nieuwe vormen van solidariteit in onze samenleving waarin individuen zich kunnen ontplooien?

Oplossingsrichtingen

Ik wil voor de discussie een aantal stellingen poneren die moeten leiden tot een programma waarin een sterke gemeenschap samen gaat met sterke individuen – waarin we voorbij de tegenstelling tussen gemeenschap en individu gaan.

Ten eerste: de publieke sector moet weer van de mensen worden.

De publieke sector is niks minder dan voertuig waarmee we met de kracht van ons allen kansen geven aan het individu. Hét middel waarin de sterke gemeenschap samenkomt met sterke individuen. Maar dan moet het ook zo werken, en dat is nu onvoldoende het geval. Veel mensen hebben het gevoel geen grip op de publieke sector te hebben: als je iets nodig hebt, loop je grote kans van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Denk aan de titel van het boek van Mark Chavannes: Niemand is verantwoordelijk. Misschien zit daar ook een aanknopingspunt waarom het populisme zo sterk is geworden.

Niemand is verantwoordelijk. En als dat gevoel gaat overheersen, wordt de publieke sector een bedreiging voor zowel gemeenschap als individu en een makkelijke prooi voor rechts dat nog steeds zijn neoliberale beleid probeert uit te voeren. De publieke sector is dus aan renovatie toe. Sociaal-democraten kunnen zich niet permitteren de huidige stand van zaken te verdedigen, wij moeten de ambitie hebben te verbeteren wat niet goed is. De richting voor verbetering is de publieke sector weer van de mensen te laten zijn, onderdeel van de gemeenschap, vooruitgangsmachine voor het individu. Dus wij willen meer invloed gebruikers, kleinschaligheid, nabijheid, lokale geworteldheid & maatwerk.

Ik denk dat we daarbij de coöperatieve gedachte in de toekomst op meer terreinen moeten gebruiken. Een voorbeeld is de Rabobank, een bank die als een doetje werd weggezet omdat ze niet meedeed in de grote verzakelijking. Na de crisis van 2008 zagen we dat de Rabobank er op een behoorlijke manier was uitgekomen; van verguisd tot held, een teken van de nieuwe tijd. Van onderaf is deze bank in gemeenschappen georganiseerd met invloed van leden. Ik denk dat we de coöperatieve gedachte in de toekomst op meer terreinen kunnen gebruiken.

Neem wonen. Onze woningcorporaties komen ook voort uit de coöperatieve gedachte. Daar moeten ze weer naar terug. Lokaal geworteld, dienend aan het belang van hun leden, de huurders, in plaats van de commerciële ambities van hun losgezongen besturen.

Ook in de zorg is nabijheid en maatwerk is daar van belang. Onlangs is een experiment gehouden in Brabant waarin de wijkverpleegster weer een belangrijke rol speel. Het voorlopige resultaat daarvan is dat het helemaal niet duurder is en de kwaliteit enorm kan toenemen. Er is spanning tussen gelijkheid en maatwerk. Maar maatwerk is nodig om aan de verschillen tegemoet te kunnen komen.

Een kijk naar de scholen. We hebben het idee geopperd dat we wellicht een harde grens aan de omvang van scholen moeten gaan stellen. Niet omdat elke grote school slecht is – het ligt eraan in hoeverre ze lokale geworteldheid en aanspreekbaarheid weten te creëren. Maar zonder ingrijpen gaat de schaalvergroting in het onderwijs door. Dus de vraag is of we het wel op een verstandige manier hebben georganiseerd. Ook hier geldt dat de mensen om wie het gaat weer invloed hebben.

Ook bij een onderwerp als veiligheid is het belangrijk dat de gemeenschappen waar het om gaat, de gebruikers, echt iets te vertellen hebben. Nationale politie mag er niet toe leiden dat ergens in Den Haag wordt beslist. Helemaal bij de politie geldt dat die lokaal geworteld moet zijn.

Er zijn steeds meer vragen aan de overheid om posities in te nemen waarvan wij vroeger zeiden: niet doen. Achter de voordeur kijken, ingrijpen bij de tippezone. De achterliggen vraag is of de overheid ook een morele rol moet spelen. Als je weet dat er op de tippelzone sprake is van uitbuiting, kun je dan als overheid je ogen daarvoor sluiten? Ik denkt van niet. Wat wethouder Asscher in Amsterdam doet en waar ik als burgemeester aan heb meegedaan is kijken wat er op de wallen echt gebeurt. Je kunt zeggen dat prostitutie van alle tijden is, maar als je dieper kijkt en je ziet dat er sprake is van uitbuiting, dan kun je dat niet zomaar laten lopen.
En als je echt ziet dat mensen achter de voordeur naar de verdoemis gaan, moet je dan als overheid zeggen: dat is allemaal privé; laat maar? Ik denk dat we die stap over de drempel dan wel moeten zetten. Dan moet het zo georganiseerd worden, dat je wel transparant bent, dat je weet wat er gebeurt en dat dat aan regels is gebonden. Als die sprake is van teloorgang van gezinnen en van kinderen, zie het voorbeeld van Langan, dan kun je echt iets doen als je er eerder bij bent. Ik denk dan, anders dan in ons beginselmanifest, dat eigen verantwoordelijkheid heel goed is, maar je daar geen punt moet zetten, maar een komma. Want we hebben daar ook de sociale verantwoordelijkheid en die heet ‘tijdig ingrijpen in probleemgezinnen’.
Dat zijn dus oplossingsrichtingen: zorg voor een publiek sector die er ook voor mij is en die ook mij helpt. Dan zal ook makkelijker geaccepteerd worden dat sommige mensen meer hulp nodig hebben dan anderen.

Ten tweede: eerlijke solidariteit, streng aan twee kanten.

Sociale zekerheid is niet alleen een recht, ook plicht. De vraag of een uitkering verdiend is, of er een inspanning voor gepleegd wordt, is van belang voor eerlijke solidariteit. Niks is dodelijker voor solidariteit, dan het gevoel hard te werken en belasting te betalen voor mensen die het niet verdienen, de kantjes ervan aflopen of zelfs ronduit fraude plegen. Maar niet alleen eerlijk aan de onderkant, ook aan de bovenkant: de enorme bonussen aan de top staan in geen verhouding meer tot de verdiensten. Het besef schatplichtig te zijn aan de samenleving is hier volledig verdwenen. Er is een internationale elite ontstaan die niet lokaal geworteld is, maar haar normen en waarden ontleent aan een internationaal losgezongen elite die van mening is dat het elk succes aan henzelf te danken heeft. Het wordt tijd de meritocratische gedachte te gaan relativeren. Succes is louter eigen verdienste is het huidig imperatief. We moeten voorbij de meritocratie. Gelijke kansen zijn niet genoeg. Er zijn altijd mensen die achterblijven. En aan de andere kant moeten mensen die goed boeren, beseffen dat ze dat niet enkel aan zich zelf te danken hebben, maar ook aan de gemeenschap. Zoals we met Chris Langan zagen, intelligentie is niet genoeg. Het is de gemeenschap die je kansen geeft en het moet weer normaal worden daaraan terug te betalen.

Eerlijke solidariteit betekent ook een einde aan de neoliberale gedachte dat geld centraal staat. Wie dat gelooft zal uiteindelijk ook geloven dat alles is geoorloofd om het te vergaren. Grote graaiers doen dat op grote schaal, met bonussen en winstregelingen. Kleine graaiers op kleine schaal, met uitkeringsfraude of gewoon, met een baksteen door de ruit van de elektronicazaak. En als de grote graaiers vervolgens met miljarden belastinggeld uit de brand worden geholpen, terwijl de kleine graaiers achter de tralies verdwijnen, nestelt wantrouwen zich als betonrot in de samenleving. Want het lijkt erop dat de politiek er is om grote dieven te belonen en kleine te straffen. Dan is sociale ongelijkheid weer een levensgroot probleem en zeker geen oplossing. Dus bij eerlijke solidariteit hoort ook het verkleinen van de inkomensverschillen: te grote verschillen zijn ontwrichtend voor de samenleving.

We hebben weer een gedeeld verhaal nodig. Lotsverbondenheid. Sociaal-democraten zijn vaak zo bang voor de nationalistische gedachte, dat zij het kind met het badwater weggooien. Maar zowel voor de basis van onze solidariteit, voor de integratie van minderheden als voor een keuze voor Europa is het van belang dat wij in Nederland een gedeeld verhaal hebben. Sterke individuen verbinden zich in een sterke gemeenschap met een gedeeld verhaal.

Wat Europa betreft is mijn stelling: een sterk nationaal besef en een overtuigde deelname aan Europa kan heel goed samengaan. Ook hier: deze twee gemeenschappen sluiten elkaar niet uit. Hier kunnen twee sterke gemeenschappen juist goed samengaan. Juist de zekerheid van een nationale identiteit, de trots op eigen land, cultuur, eigen taal, biedt de beste basis om vervolgens ten volle deel te nemen aan de gemeenschap van landen. Er wordt nu te vaak een contraproductieve tegenstelling gezocht tussen een onthecht cosmopolitanisme en een nationalisme, tussen de wereldburger en de kleinburger. Maar er moet een solide thuisbasis zijn: de bevolking zal zich pas gerust voelen in een internationalistische opstelling wanneer men weet dat die niet ten koste gaat van eigenheid, van taal, van regio, van het sociale stelsel, de verzorgingsstaat.

Afsluitend: In de spanning tussen individu en gemeenschap lijkt het individu nu de overhand te hebben. Maar we moeten niet de onproductieve discussie voeren alsof we het over communicerende vaten hebben waarbij we of het individu of de gemeenschap moeten verzwakken om tot de juiste balans te komen.
We moeten juist zoeken naar manieren om zowel de gemeenschap als het individu te versterken. Want ondanks alle spanningen die zeker tussen deze twee bestaan, kunnen zij niet zonder elkaar.

Kortom: een sterke gemeenschap en sterke individuen worden verbonden door een sterke publieke sector, door eerlijke solidariteit en door een gedeeld verhaal."
 


Welkom