|
Godsdienst, privézaak of niet / de andere kant van de zaak
De PKN moet zich niet opsluiten in de privésfeer
Door J.E. van Veen
Ik werd getroffen door het thema van dit jaar, ‘Godsdienst, privézaak of niet’, van de Banning Werkgemeenschap. Deze zaak houdt mij ook bezig, maar dan van de andere kant. Mijn probleem is dat ik me zorgen maak over de Kerken, en vooral de Protestantse Kerk in Nederland, de PKN, dat zij zichzelf opsluiten in de privésfeer. Dan worden Kerken meer en meer godsdienstige genootschappen om te voorzien in de spirituele behoeften van hun leden, maar zijn geen kerk meer in de samenleving.
Ik heb begrip voor de terughoudendheid om als kerk stelling te nemen in politieke kwesties. Elkaar de les lezen is niet de beste vorm van communicatie. Bovendien is er gevaar van polarisatie. Toch raakt dit spreken aan een zenuw van de kerk. Daarom wil ik op grond van mijn betrokkenheid graag iets zeggen over de oorsprong en geschiedenis van het spreken van de kerk, er enkele kanttekeningen bij maken en een paar suggesties doen aan de PKN.
Oorsprong en geschiedenis van het spreken der kerk
Velen uit de hervormde kerk en daarbuiten waren blij toen bij het begin van de tweede wereldoorlog de Nederlandse hervormde kerk uit haar lethargie van besturen- en reglementenkerk ontwaakte en binnen het interkerkelijk overleg ten aanzien van de Duitse bezetting haar maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid bewust werd. Immers, veel predikanten ontdekten in die tijd dat er omstandigheden zijn waarin het pastoraat politiek relevant moet zijn, wil het ook pastoraal relevant zijn. Maar men was nog meer verheugd dat die kerk zich wilde vernieuwen en zich ook na de oorlog wilde ontwikkelen naar ‘een Christusbelijdende gemeenschap midden in de samenleving’, een kerk die Jezus Christus als Heer aanvaardt voor alle gebieden van het leven, inclusief het publieke domein.
Dat was gevoed door oecumenisch georiënteerde theologen als Karl Barth en Dietrich Bonhoeffer uit Europa en Reinhold Niebuhr uit Amerika. Alle drie benadrukten zij theologisch de betrokkenheid van het evangelie op de maatschappelijke en politieke werkelijkheid.
Direct na de oorlog trok dan ook een driemanschap rond langs de gemeenten om deze nieuwe visie op kerk-zijn te doen wortelen: de vrijzinnige ds. Banning, directeur van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, de confessionele ds. Gravemeijer, secretaris van de hervormde kerk, en dr. Hendrik Kraemer, man van de zending en hoogleraar voor de moderne-niet christelijke godsdiensten. Ze hadden elkaar ontmoet in het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel. Ook voerde het drietal het gesprek met de richtingen binnen de kerk (de vrijzinnigen, de ethischen, de confessionelen en de Gereformeerde Bond) om de verschansing in hun eigen kamer in de zogenaamde ‘hotelkerk’ te doorbreken. Dat alles mondde uit in een nieuwe kerkorde in 1951, waarin bovenal de kerk werd gezien als een instrument in de ‘missio Deï’ naar de wereld toe. Een kerk die Christus belijdt als Heer, zijn heerschappij erkent over het gehele leven, niet overeenkomstig maar in gemeenschap met het belijden der vaderen. En daardoor werd de hervormde kerk als belijdende kerk ook weer een partner voor de gereformeerde Kerken om samen op weg te gaan.
Alleen, de hervormde kerk vulde de maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid anders in dan de gereformeerde Kerken. Daar werd onder het motto ‘soevereiniteit in eigen kring’ de invulling van die verantwoordelijkheid gedelegeerd aan de mondige gemeenteleden, die zich daartoe organiseerden in confessionele verbanden onder andere op het gebied van schoolbestuur, universiteit (VU), vakbond (CNV), werkgeversorganisatie (NCW) of politieke partij (ARP).
De hervormde kerk behield die maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid aan zichzelf en riep daarvoor organen van bijstand in het leven met deskundige leden binnen de kerk. Onder de politieke verantwoordelijkheid verstond zij de voorbede voor regering en parlement, pastorale zorg voor politici en het spreken der kerk als vorm van pastoraat naar de samenleving bij cruciale vragen. Soms kan dat spreken ook een profetische ondertoon hebben. Zij koos voor die eigen verantwoordelijkheid mede om in het spreken der kerk niet in partijbelangen verstrikt te raken. Want een Christusbelijdende kerk houdt niet alleen in dat de kerk zich baseert op de belijdenisgeschriften, zoals de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis (momenten van belijden uit het verleden, die je meeneemt in je rugzak), maar houdt ook in dat de kerk Christus belijdt in de actuele maatschappelijke en politieke werkelijkheid. Het gaat niet om een belijdeniskerk, maar een belijdende kerk. Dit spreken in cruciale situaties geeft continuïteit in het belijden.
Als criteria voor dat spreken zijn destijds door de Raad van Kerken onder leiding van prof. Berkhof (hervormd) en prof. Fiolet (r.-k.) in Nederland de volgende elementen aangereikt:
1. wanneer de kwaliteit of het karakter van de samenleving in het geding is. Dat kan ook de internationale verhoudingen van onze samenleving inhouden;
2. als spreekbuis voor wie geen stem krijgt in de samenleving;
3. als Kerken of christenen elders een beroep doen op de Raad van Kerken of een
kerk.
Zo heeft de generale synode van de Nederlandse hervormde kerk als Christusbelijdende gemeenschap in de samenleving op basis van de nieuwe kerkorde ook gesproken en wel in verschillende vormen: met kanselboodschappen bij speciale gelegenheden, in overwegingen om gemeenteleden te helpen bij hun oordeelsvorming, via handreikingen om het gesprek in de gemeente te stimuleren, in herderlijke brieven om een bewustwordingproces te stimuleren, maar ook in brieven naar de overheid om iets te vragen of positiekeuzen duidelijk te maken. Ik noem hier een aantal onderwerpen van het spreken der kerk, na de tweede wereldoorlog, zonder op de inhoud in te gaan: de vorming van Indonesië, de politionele acties in Indonesië, de Nieuw Guinea-kwestie (alle drie aangestuurd door de zending), de doodstraf, positie van arbeiders en boeren, het communisme, de Europese integratie, het racisme, de apartheid, ‘Israël, volk, land en staat’, de kernwapens, het nucleaire afschrikkingsevenwicht, de kernenergie, Christen-zijn in de Nederlandse samenleving en Gemeente-zijn in de mondiale samenleving.
Ik maak twee kanttekeningen naar aanleiding van deze historie van het spreken van de kerk.
1. Over de ontwikkeling van het spreken
In het begin had dat spreken nog een wat feodaal karakter. De synode sprak meer van boven af, soms ook buiten de gemeente om, naar samenleving en overheid toe. Later is dat veranderd. Bijvoorbeeld bij het vraagstuk van de kernbewapening in tweede ronde is een handreiking gemaakt voor het gesprek in de gemeente over de kernbewapening, waarin de ontwikkeling van het nucleaire afschrikkingssysteem zeer zorgvuldig is geanalyseerd, waarbij vele deskundigen werden geraadpleegd. Zo’n analyse was niet voorhanden in de samenleving en is in de kring van politiek en defensie geprezen. Deze handreiking heeft geleid tot reacties uit zevenhonderd gemeenten. Pas daarop is het in een pastorale brief tot positiekeuze gekomen. Met betrekking tot het vraagstuk van de kernenergie is op verzoek van een aantal gemeenten eveneens een handreiking met dezelfde zorgvuldige analyse gemaakt met als titel: ‘Kernenergie, de Kerken een zorg’. Ook deze is naar gemeentes gegaan. En op grond daarvan heeft de synode aan de overheid gevraagd om een brede maatschappelijke discussie over het energiebeleid.
Tenslotte noem ik hoe de Raad van Kerken over het lot en de rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen een jarenlang indringend gesprek met het ministerie van Justitie heeft gevoerd, gevoed door de ervaring die vele plaatselijke gemeentes met hun inzet voor deze groepen hebben gehad. Ook daar zijn positiekeuzen uit voortgekomen
2. Over het karakter van het spreken
Het is zinnig om het spreken van de kerk, uitgezonderd die momenten, waar een directe reactie noodzakelijk is (Karl Barth noemt dat ‘Gebot der Stunde’), te beperken tot die cruciale problemen die tot een langdurige breuklijn in de samenleving leiden. Immers, elk spreken vraagt een grondige voorbereiding, zeker wanneer het probleem complex is. Een deskundige, zorgvuldige analyse is nodig, waarbij alle betrokkenen bij het probleem, in het bijzonder de slachtoffers, gehoord dienen te worden. Bovendien hoort de analyse en de richting van het zoeken naar een oplossing in het spanningsveld van het zoeken naar gerechtigheid te staan. Voor de leden van de kerk/gemeente dient dit spreken herkenbaar te zijn als een afgeleide van de regelmatige verkondiging van het evangelie. Communicatie naar het grondvlak van de kerk is een eerste vereiste, want zonder bedding in de gemeente, zonder dat draagvlak, is spreken naar de samenleving en overheid niet gewenst en niet vruchtbaar.
Suggesties voor de leiding van de PKN
Gezien het feit dat ten aanzien van het spreken der kerk bij de fusiepartners die nu de PKN vormen onderscheiden tradities bestonden, is het verstandig voor het bestuur van de PKN om zichzelf en de gemeenten rekenschap te geven waar we nu staan.
Ter wille van een grondige voorbereiding van het spreken van de kerk is het belangrijk om een hernieuwd netwerk op te bouwen van geëngageerde en deskundige leden. Door het opheffen van organen van bijstand en deputaatschappen van de fusiepartners en van secties van de Raad van Kerken is dit netwerk grotendeels verloren gegaan. En de klemtoon van de Reformatie op het priesterschap van alle gelovigen geldt ook vandaag voor de PKN; laat het niet teveel een domineeskerk worden.
Het is van belang om een inzicht te krijgen in de ervaring van gemeenten, die duidelijk present zijn in de breuklijnen van de samenleving, om daar voor de gehele kerk profijt van te trekken. Als er in deze tijd één thema genoemd zou moeten worden voor een spreken van de PKN of de Raad van Kerken dan is het wel het vraagstuk van de integratie van de migranten en de ontwikkeling van de islam in Nederland, dat de geledingen in de samenleving zeer verdeeld houdt. Daar zou een eigen bijdrage van de Kerken aan het maatschappelijk debat mijn inziens zeer welkom zijn.
Op deze manier kunnen we ook steeds opnieuw ‘kerk voor de wereld worden’.
|