60 jaar PvdA, 60 jaar Doorbraak; rede voor de Protestantse
Werkgemeenschap voor de PvdA op 18 maart 2006Heeft de Doorbraak
van 1946 vandaag nog maatschappelijke betekenis?
Door dr. Hans W. de Knijff
1. Het probleem
Ik stel mij voor, in deze bijdrage de verhouding tussen christelijk
geloof en politiek te bezien als theologisch vraagstuk en wel met het
oog op de Doorbraak, zoals die kort na de Tweede Wereldoorlog gestalte
heeft gekregen in de politiek. De leidende vraag daarbij is: heeft de
Doorbraak van 1946 vandaag nog enige maatschappelijke betekenis? Deze
vraag dringt zich op tegen de achtergrond van de algemeen aangenomen
vaststelling, dat de naoorlogse Doorbraak als mislukt is te beschouwen.
Deze mislukking is een politiek feit en werd ook al meteen electoraal,
bij de eerste verkiezingen, duidelijk. Omdat het hier ging om een
doorbraak van kerkleden - in meerderheid Nederlands-hervormde kerkleden
- en omdat in de motivering ervan theologen een centrale rol speelden,
ligt het voor de hand, te vragen naar de theologische verantwoording van
deze beweging. Het zal dan blijken, dat de keuze daarvoor samenhangt met
een opvatting van geloof en kerk, die veel verder reikt dan alleen de
politiek.
Ook in kerkelijk en cultureel-maatschappelijk opzicht ziet men na de
oorlog ontwikkelingen, die met de Doorbraakgedachte verwant zijn.
Hieruit blijkt, dat de Doorbraak een veel breder maatschappelijk en
geestelijk verschijnsel was dan die van enkel politieke keuze. En het is
daarom nodig, dat men de politieke Doorbraak van 1946 behandelt in een
breed kader en ook haar theoretische, d.w.z. theologische grondslagen
expliciet maakt. Dan eerst wordt duidelijk, ten eerste, waarom zij
mislukte, en ten tweede, dat met die constatering nog geenszins een
streep is getrokken onder de actuele betekenis ervan. Wij stellen dus de
vraag naar de theologische theorie (of leer) t.a.v. de verhouding geloof
en politiek, die de Doorbraak dreef, en plaatsen deze in de context van
de kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen van de tweede
eeuwhelft. Deugde deze theorie of deugde zij niet? Had zij een soliede
geestelijke en maatschappelijke basis of zong zij haar lied 'als een
eenzame vogel op het dak' (Ps. 102:8). Als zij een beter lot had
verdiend, kan zij dan zo geherformuleerd worden, dat zij betekenis heeft
in de huidige politieke situatie?
2. De situatie na de Tweede Wereldoorlog
De geestelijk-maatschappelijke situatie kort na de Tweede
Wereldoorlog werd gekenmerkt door twee componenten: vernieuwing en
conservering. Er was onmiskenbaar een sterke roep om vernieuwing van de
Nederlandse maatschappij en om doorbreking van de oude statische
patronen. Ik gebruik hier het woord 'doorbreking', omdat het suggereert,
dat er een duidelijke tendentie was, muren te slechten om daardoor ook
werkelijk met de ander in gesprek en op velerlei terrein tot
samenwerking te komen. Velen wilden niet alleen 'wederopbouw', maar ook
'nieuwbouw'.
Hoe verbreid deze vernieuwingstendentie was, ook buiten het politieke
terrein, kan men goed demonstreren aan de grondgedachten van de
Nederlandse Hervormde Kerkorde van 1951, die in zekere zin de kerkelijke
parallel van de Doorbraakidee vormt. Deze heeft een structuur, waarin de
kerk zich niet exclusief-antithetisch tegenover het volk opstelt, maar
aan het volk in brede zin dienstbaar wil zijn; men kan het tegenover het
antithesemodel een presentiemodel noemen. Tekenend is in dit verband het
rapport 'Christen-zijn in de Nederlandse samenleving' van 1954, waarin
de Hervormde kerk bijv. weigerde de schoolkeuze aan haar leden voor te
schrijven en waarin zij nadrukkelijk verantwoordelijkheid aanvaardde
voor zowel het christelijke als het openbare onderwijs. Veelzeggend is
ook het breed opgezette vormingswerk, dat vele jaren lang veel werk
heeft verzet in het bijeenbrengen van geestelijk, politiek en
beroepsmatig verschillende volksgroepen.
Dat het ideaal van nieuwbouw in de samenleving niet werd gerealiseerd,
kerkelijk niet en vooral ook politiek niet, lijkt op het eerste gezicht
een raadsel. Ondanks dit zo wijd verbreide en zo overtuigd beleden
vernieuwingsenthousiasme kwam uit de smeltkoker van de oorlog de oude
vooroorlogse samenleving te voorschijn. De oude gebouwen bleven staan,
de verzuiling bleef nagenoeg volledig intact. Wat men echter niet zag,
is, dat deze gebouwen inwendig veel sterker vermolmd waren dan men waar
wilde hebben. Het werd ook tientallen jaren lang nog niet politiek
zichtbaar; hier bleek de verzuilingsstructuur het taaist. Desondanks
verkeek men zich grondig. En dat werd ook al spoedig in algemeen
maatschappelijk en cultureel opzicht duidelijk. Men kan globaal het
verschijnsel van inwendige slijtage aanduiden met het begrip
secularisatie, al spelen uiteraard ook andere factoren als toeneming van
welvaart, mobiliteit, individualisering en dergelijke een rol. Ik
gebruik het woord secularisatie hier dus in een brede zin, als verval
van de oude morele en culturele door het christendom gestempelde
structuren. De snelheid van dit verval in onze Nederlandse samenleving
is een van de sociologische raadsels binnen Europa. De secularisatie in
de hier gebruikte zin betekende in maatschappelijk en cultureel opzicht,
dat de ideologische inhoud van de opgebouwde cultureel-maatschappelijke
structuren wegsmolt. Op vele terreinen - om maar iets te noemen: het
vormings- en opbouwwerk, het ziekenhuis- en zorgsysteem, het
verenigingsleven, het maatschappelijk werk - kregen, hand in hand met
toenemende schaalvergroting en technocratisering, neutrale
organisatievormen en opvattingen de overhand. Ongetwijfeld bleven op
politiek en maatschappelijk terrein aanmerkelijke resten van de
verzuiling bestaan, maar veelal in een ideologisch uitgeholde vorm
(onderwijs, media). Maar dat feit neemt niet weg, dat de verzuiling als
overheersend systeem verdween. Deze verdwijning en uitholling vormen een
groot geestelijk en maatschappelijk probleem, omdat hiermee voor velen
het geestelijk tehuis, ook als voedingsbodem en activeringsmiddel van
maatschappelijk en politiek engagement, verdween en door niets
evenwaardigs werd vervangen.
‘Men was na de oorlog nog niet aan
de Doorbraak toe en al heel spoedig
daarna was zij al achterhaald….’
Als het juist is, dat de seculariserende geestelijke en
cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen de eigenlijke en diepere
oorzaak vormen van de mislukking van de Doorbraak, dan komt de vraag
naar zijn actualiteit-toen in een merkwaardig licht te staan. Kort
gezegd: men was er na de oorlog tegelijkertijd nog niet aan toe en al
heel spoedig daarna was men er al overheen, zij was al heel spoedig
achterhaald. Het recht van een kerklid om vrij zijn politieke partij te
kiezen - eerder nog een zaak van heel wat conflicten in kerkelijke
milieus - werd geleidelijk een zaak van schouderophalen en
indifferentisme. Men werd postmodern, gunde ieder het zijne en het
effect was een toenemend neutralisme. Ik bedoel hier met neutralisme
niet alleen de sterk groeiende nadruk op de neutraliteit van de publieke
ruimte en de staat, maar vooral ook de verzakelijking en pragmatisering
van eerder aan gezamenlijk beleden waarden en normen gebonden leefvormen
en instituties.
Ik zei, dat dit snelle verloop raadselachtig is. Het moet te maken
hebben met een diepzittende afkeer van kerk en geloof (ondanks, maar
misschien juist ook vanwege de aard van een sterk belijnde en
conflictueus geaarde kerkelijkheid in ons vaderland). Deze afkeer geeft
aan het Nederlandse neutralisme een agressieve trek. En het loopt dan
ook gelijk op met de toenemende antikerkelijkheid. Deze heeft in de
vaderlandse geschiedenis oude wortels en hangt samen met de
ontstaansgeschiedenis van onze democratische bestuursvormen enerzijds en
met een reeds vroeg constateerbare tegenstelling tussen 'kerkelijken' en
'neutralen' anderzijds (vanaf 'volk en regenten','prinsgezinden en
patriotten', 'fijnen en liberalen' tot - thans - niet ongevaarlijke
bijgelovigen en wetenschappelijk ontwaakte verlichten). Er heerst
langzamerhand in Nederland in brede spraakmakende lagen een
vanzelfsprekendheid t.a.v. godsdienst en kerk, die dit verschijnsel
beschouwt als een dom en zelfs gevaarlijk atavisme en zelfs de eigen
onkunde van het gezamenlijke christelijke Europse verleden als een deugd
lijkt te beschouwen.
Het is dit soort Nederlands secularistische antikerkelijkheid, dat elk
dieper nadenken over een mogelijke verhouding tussen geloof en politiek
eenvoudigweg onmogelijk maakt. Men kan zelfs stellen, dat de Nederlandse
nongodist hierdoor reeds in 1946 niet meer in staat was, de drijfveren
van de Doorbraak, met zijn sterk kerkelijke motivering, ook maar te
begrijpen. Hij beschouwt het (aanvankelijk nog met enige welwillendheid)
als de private levensbeschouwelijke grond, die ieder mens voor zich
kiest en die verder geen openbaar-politieke betekenis heeft. Die
kerkmensen waren nu eindelijk ook wat bescheidener geworden en dan valt
er misschien ook wel mee te werken.
Waarom is ondanks dit alles de Doorbraak van 1946 echt vernieuwend te
noemen? Juist, omdàt zij niet berustte op indifferentisme, maar voor de
betreffende kerkleden veeleer een zaak van bijbels geloof en kerkelijk
belijden was. Zij was gefundeerd op een doordachte opvatting over de
verhouding tussen geloof en politiek. Ik meen daarom te mogen stellen,
dat de Doorbraak het niet aflegde tegen de feiten op grond van
theoretische zwakte of ideologische armoede, maar vanwege het overhand
nemende secularistisch neutralisme, op zijn Hollands: in de weigering om
na te denken (of een ander op zijn denkwegen te volgen). Daardoor werd
het in toenemende mate moeilijk, duidelijk te maken, dat de Doorbraak
berustte op een weloverwogen geloofskeuze. Zij was een theologische
aangelegenheid en zij werd ook theologisch verantwoord. Dat zulk een
verantwoording in het huidige klimaat niet meer te articuleren valt en
naar de privé-sfeer wordt verwezen, is verontrustend, zoals ook in het
algemeen het 'afschudden van de ideologische veren' verontrustend is.
Juist daarom is de gedachte van de Doorbraak niet achterhaald, maar in
een tijd waarin de wenselijkheid van een partijprogramma bij herhaling
heftig ter dicussie staat, zelfs uiterst actueel! Ik kom daarop terug.
Theologische verantwoording van de Doorbraak.
Indien de theologische verantwoording in deze (Protestantse)
Doorbraak zulk een centrale en zwaarwegende rol speelde, wat hield deze
dan in? Al in 1945 hadden zeven Hervormde Amsterdamse predikanten in
‘Wat bezielt ze’ vanuit hun christelijke en evangelische roeping hun
keuze voor de SDAP verdedigd, maar tot een uitvoerige en systematische
theologische verantwoording kwam het in 1947 met de verschijning van het
boek van de bevlogen Eindhovense chemicus-theoloog C.J. Dippel, ‘Kerk en
wereld in de crisis’, dat men wel een soort 'bijbel' van de
(Protestantse) Doorbraak kan noemen.
Ik ga op de positiebepaling van beide geschriften kort in. In beide
wordt partijvorming op christelijke grondslag afgewezen. Deze wordt
theologisch als volgt gemotiveerd.
1. Uitgangspunt is de door Karl Barth verdedigde opvatting, dat God de
soevereine Heer is over zijn spreken en dat dit spreken daarom nooit als
een voor de mens beschikbaar gegeven mag worden beschouwd of behandeld.
'De persoonlijke daad van Gods genadige neerbuiging tot de mens is niet
te vangen in een continu aanwezige betrekking of toestand, waarin het
handelen van God overgaat in het handelen van de ... mens.' (Dippel, p.
93) Dit betekent, dat alle maatschappelijke structuren als partij en
vereniging betrekkelijk zijn en nooit mogen berusten op een politiek of
ideologisch vastliggend beginsel. Het zoeken van de wil van God zal
altijd moeten geschieden in het besef van de relativering van alle
menselijke werk. Alles wat zich tooit met het epitheton 'christelijk'
zal daarom met het nodige wantrouwen moeten worden bezien, of beter,
positief uitgedrukt: op zijn papieren moeten worden ondervraagd. Dit
zoeken op zichzelf wordt uiteraard niet gerelativeerd, integendeel: de
christen is te voor en te na geroepen, de vraag naar de wil van God voor
de concrete situatie te stellen. Maar deze vraag zal altijd in een
ruimte vol relativiteiten en daarom op basis van deskundigheid en
informatie moeten plaatsvinden, en dat in dialoog met anderen.
2. Dit uitgangspunt leidt tot een radicale afwijzing van de
antithesegedachte, omdat 'zij de Kerk vervreemdt van de zakelijke
verhoudingen der werkelijkheid en het volk verre houdt van het
vertrouwen in de bovenpartijdige strekking van de Evangelieprediking'. (Wbz.,
p. 11) Let wel, de antithese wordt hier in de eerste plaats beschreven
als schadelijk voor de kerk en haar boodschap. Maar dat heeft een
onmiddellijk politiek en maatschappelijk belang: want als de kerkelijke
boodschap zuiver wordt gepredikt, is zij de scherpste kritiek op de
'neiging, christelijke beginselen absoluut te stellen en aldus het
resultaat van de afleiding te vereenzelvigen met het Woord Gods.' (Dippel,
p. 159) Het vasthouden aan de antithese 'heeft de ontmoeting met het
volk in alle lagen verhinderd, heeft het gesprek over en weer
afgesneden, heeft ons politieke leven, d.i. de gemeenschappelijke zorg
voor het gemenebest, gebannen in een hopeloze onvruchtbaarheid.' (Wbz.,
p. 11) Kortom: de antithese is een voor kerk èn volk schadelijk bolwerk,
'een absolute vesting' (Dippel 149) die moet worden afgebroken.
3. Impliciet is hiermee de kritiek op de christelijke principes, de
befaamde 'beginselen', soms zelfs 'eeuwige beginselen' genoemd, gegeven.
Op het fundament van Gods veronderstelde scheppingsbeginselen 'wordt een
gesloten gebouw opgetrokken, waarin de gehele christenheid afgesloten en
veilig kan wonen'.(Dippel, p. 149) Men wordt niet meer met het Woord
Gods, maar met zijn eigen systeem van beginselen geconfronteerd. De
noodzaak van politieke theorie en het ontwikkelen van beginselen worden
in deze Doorbraakgeschriften niet ontkend, maar zij worden gezien als
een zaak van 'voortgaan van beslissing tot beslissing, met een volkomen
aanvaarden van de betrekkelijkheid van onze maatschappelijke
vormgevingen'. (Dippel, p. 272) Wat hieraan christelijk is, is, dat
christenen in dit proces volledig betrouwbare gesprekspartners moeten
zijn. Het gaat steeds om een zakelijke worsteling, voor een christen
vanuit het Woord Gods, maar solidair in gezamenlijkheid met alle
relevante partners. Politiek dient zakelijk te zijn, maar deze
zakelijkheid heeft zijn grond in een sterk gebonden overtuiging.
4. Men zou de neiging hebben om te zeggen: dit is niet zoveel anders dan
de bekende scheiding tussen privé-opvatting en publiek handelen; hier
kan iedereen mee tevreden zijn: van het geloof van de gelovige merken
wij zogezien in de politiek gelukkig niets. Nu, dat geldt voor deze
auteurs zeker niet voor de rol van de kerk in het openbare leven en ook
in persoonlijk opzicht niet voor de rol van het geloof als bron van
politieke theorievorming. Zo is bijv. de opvatting van de verhouding van
kerk en staat is bij de Doorbraakdenkers geheel anders dan de extreme
opvattingen die vandaag de dag opgeld doen. Want ten eerste blijft het
engagement met hun geloof niet onzichtbaar en ten tweede zullen zij van
hun niet-kerkelijke partners eisen, dat zij evenzeer vanuit hun
persoonlijke levensovertuiging te werk gaan. Zonder zulk een overtuiging
komt er immers van werkbare theorieën, ja van, zij het nog zo relatieve,
politieke principes niet veel terecht. Alle samenwerking houdt
gezamenlijke worsteling om het juiste gezichtspunt (dat niet uit de
lucht komt vallen) in en ongetwijfeld ook de noodzakelijke 'choc des
opinions', die het mogelijk maakt, nieuwe, niet dadelijk voor de hand
liggende wegen te vinden. Overtuiging is voor het debat over principes
juist nuttig en nodig. Dippel c.s. zien in de kerk een bron van
bezieling voor het openbare leven, die slechts met grote schade over het
hoofd gezien wordt. Zij attaqueren daarom ook heftig de idee van de
absoluut neutrale staat. Dippel valt in feite een zo geheel anders
gestemde denker als A.A. van Ruler bij, dat een lege troon op
gevaarlijke wijze open staat voor demonis(zie voor het essay van De
Knijff: Heeft de Doorbraak van 1946 vandaag nog maatschappelijke
betekenis?)
erende krachten. Het is bijv. nog niet zo eenvoudig om te staan voor een
rechtsstaat, die opkomt voor 'recht, vervulling van nooddruft, weerstand
tegen de demonische machten, die beslag leggen op de geest van de mens'
(Dippel 120). Overtuiging is niet iets lastigs, wij hebben aller
overtuiging juist hard nodig.
De scheiding tussen overtuiging en politiek engagement, tussen privé
en publiek, tussen kerkelijk en neutraal, is dus voor de Doorbraak juist
een bron van politieke theorievorming, en daarmee openbaar relevant en
discussieerbaar.
De Doorbraakidee nader bezien
Ik geef een paar kritische kanttekeningen, die nodig zijn om mijn
stelling van de blijvende actualiteit van de Doorbraakgedachte te
ondersteunen. Allereerst moet men vaststellen, dat de radicale
Barthiaanse kritiek op christelijke principes en organisatievormen
bevrijdend heeft gewerkt en een goede basis heeft gevormd voor een
nieuwe theorie van politiek handelen, zonder ook maar in enig opzicht
relativerend te zijn terzake van het geloof. Maar zij bezat een
onhelderheid, om niet te zeggen, zwakte: zij maakt (politieke)
theorievorming moeilijk. Het actualistische element (per geval meningen
vormen en beslissingen nemen) werkt hier remmend. Dippel wilde geen
(christelijke) principes in de politiek, maar was hierin zelf niet
consequent (zoals uit zijn protest tegen de neutrale staat blijkt).
Barth trachtte het dreigende isolement van het kerkelijk denken over
politiek te relativeren met behulp van de gedachte van de analogie: de
staat moet een afschaduwing zijn van de kerk, een kring rondom de kerk
en haar verkondiging. Als zo'n analogie noemt hij bijv. het opkomen voor
de gelijke rechten van de vrouw op grond van de gelijkheid van alle
mensen voor God, of de rechtsstaat als analogon van de goddelijke
rechtvaardiging. (Christengemeinde und Bürgergemeinde, p, 16vv.) Deze
analogieën fungeren dan toch weer als (zij het dynamische en steeds weer
ondervraagbare uitgangspunten). Wil dit echter werkbaar zijn, dan moet
men kunnen rekenen op een minimum aan humanistisch-christelijk bestand
in het staats- en volksleven en ook bij de politieke medegenoten, bijv.
terzake van gedeelde waarden en normen (als gezin, arbeid,
maatschappelijke verantwoordelijkheid en derg.). Maar omdat deze
consensus door het secularisme verdwijnt (de genoemde vermolming!), is
deze weg moeilijker begaanbaar geworden. Christelijk-theologische
politieke theorievorming dreigt zo geheel in de lucht te komen te
hangen, zij raakt gauw weer onder de verdenking van antithetische
kerkelijkheid. Door de neutraliserende secularisatie dreigen eigenlijk
sluipend nieuwe vormen van antithese te ontstaan (vgl. bijv. in de jaren
tachtig: IKV-ICTO). Ondanks alle gelijk van de Doorbraaktheologen moet
men zeggen: politieke principes zijn onvermijdelijk en het ene principe
is christelijker dan het andere, al heeft men nog zoveel legitieme
reserves tegen het etiket christelijk. Een absolute scheidslijn tussen
geloofsgezichtspunt en politiek principe is dus niet gewenst. Men kan
bijv. heel wel vanuit het bijbelse sabbatsgebod verdedigen, dat het
beginsel van tijd nemen voor rust en bezinning christelijker is dan een
pleidooi voor workoholisme; op deze wijze kan men een alleen voor de
gelovige geldend gebod vruchtbaar maken voor een politiek-filosofische
gedachtegang over arbeid en rust, waar men wellicht zonder deze
theologische aanzet niet toe was gekomen. Maar hiervoor behoeft de
antithesekritiek van de Doorbraak niet op de schop; dat wordt in
bovengenoemde publicaties ook wel duidelijk. Dit soort bezig zijn met
politieke beginselen behoeft ook geenszins het karakter te hebben van de
vroegere ketterjagerij.
Wij stuiten hierbij op een ander gezichtspunt, waaraan ik tot nu toe ben
voorbijgegaan en dat is het feit, dat de Doorbraak niet alleen een 'Barthiaanse'
aangelegenheid was, al was de 'Barthiaanse' kritiek wel de meest
opvallende, omdat zij regelrecht en polemisch het antithesemodel
theologisch aanviel en daarmee vorm gaf aan een soort 'Gebot der Stunde'.
Maar een man als W. Banning had, om het zomaar eens te zeggen, geen
Doorbraak en ook geen Doorbraaktheologie nodig om voluit socialist te
zijn. Hoewel dus hier de theologische motivering een veel geringere en
minder opvallende rol speelt, is het toch nuttig, de vraag te stellen:
hoe ziet de Doorbraak en het verloop ervan er uit vanuit het
gezichtspunt van het door Banning aangehangen 'personalisme'? Ik wil er
in het verband van de verhouding tussen theologische geloofsgegeven en
(meer filosofisch) politiek beginsel, waarover ik zo-even sprak, graag
iets over zeggen, of beter: er een vraag over stellen. Banning zou
waarschijnlijk geen moeite hebben met religieus geïnspireerde
beginselen. In zijn context - van vrijzinnig predikant - was het gevaar
van theologische verabsolutering ook veel minder groot. Mijn vraag is:
kan deze personalistische insteek vandaag nog betekenis hebben? Ook hier
bestaan (en bestonden) nogal wat vaderlandse vooroordelen en wel vooral
van socialistische zijde: vanuit marxistisch gezichtspunt vond men het
personalisme verwerpelijk, omdat het politiek-maatschappelijk geen
bijdrage kon leveren om de ijzeren mechanismen van het kapitalisme te
doorbreken. Maar hoe plausibel deze overweging ook is, is daarmee dit
personaal-ethische gezichtspunt geheel afgedaan? In het licht van eerder
genoemde problematiek rondom de Barthiaanse insteek zou ik daar een
vraagteken achter willen zetten. Deze twee benaderingen zouden wellicht,
ook gezien in het licht van de geschiedenis van de tweede eeuwhelft,
niet onverzoenlijk hoeven te zijn.
De actualiteit van de Doorbraakgedachte in 2006
Als het juist is, dat de Doorbraakgedachte mislukte door het na de
Tweede Wereldoorlog verborgen gebleven en daarna in toenemende mate
heersend geworden secularisme, dan verdient de Doorbraak vanuit
christelijk standpunt gezien een herkansing. Deze zou een pleidooi
kunnen zijn voor theorievorming, welke nooit alleen maar afhankelijk is
van politiek-wetenschappelijke analyse, maar ook van opvattingen en
overtuigingen, anders gezegd: van nadenken en wel nadenken vanuit de
eigen levensbeschouwelijke traditie als bron van theorievorming en
plaatsvindend voor het front van en in debat met publieke uitdagers. De
PvdA zou daarom haar onnozele (reeds electoraal onverstandige)
onverschilligheid tegenover kerk en godsdienst moeten afleggen en iedere
levensovertuiging moeten uitdagen haar inbreng politiek te articuleren.
Dat wil zeggen: men zou de levensbeschouwelijke 'werkgemeenschappen'
weer in ere moeten herstellen (waarbij ook aan een islamitische
werkgemeenschap gedacht moet worden), om de denkbijdragen vanuit
concreet gegroeide tradities te benutten en in discussie te brengen. De
Doorbraak verdient dus niet alleen vanuit christelijk gezichtspuntpunt
een herkansing, maar evenzeer vanuit politiek gezichtspunt. De afkeer
van inhoudelijke theorievorming, ook in een partijprogramma, moet worden
overwonnen. Politiek is meer dan bureaucratische technologie.
|