Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Banning Werkgemeenschap
 
60 jaar PvdA, 60 jaar Doorbraak; rede voor de Protestantse Werkgemeenschap voor de PvdA op 18 maart 2006

Heeft de Doorbraak van 1946 vandaag nog maatschappelijke betekenis?

Door dr. Hans W. de Knijff

1. Het probleem

Ik stel mij voor, in deze bijdrage de verhouding tussen christelijk geloof en politiek te bezien als theologisch vraagstuk en wel met het oog op de Doorbraak, zoals die kort na de Tweede Wereldoorlog gestalte heeft gekregen in de politiek. De leidende vraag daarbij is: heeft de Doorbraak van 1946 vandaag nog enige maatschappelijke betekenis? Deze vraag dringt zich op tegen de achtergrond van de algemeen aangenomen vaststelling, dat de naoorlogse Doorbraak als mislukt is te beschouwen.

Deze mislukking is een politiek feit en werd ook al meteen electoraal, bij de eerste verkiezingen, duidelijk. Omdat het hier ging om een doorbraak van kerkleden - in meerderheid Nederlands-hervormde kerkleden - en omdat in de motivering ervan theologen een centrale rol speelden, ligt het voor de hand, te vragen naar de theologische verantwoording van deze beweging. Het zal dan blijken, dat de keuze daarvoor samenhangt met een opvatting van geloof en kerk, die veel verder reikt dan alleen de politiek.

Ook in kerkelijk en cultureel-maatschappelijk opzicht ziet men na de oorlog ontwikkelingen, die met de Doorbraakgedachte verwant zijn. Hieruit blijkt, dat de Doorbraak een veel breder maatschappelijk en geestelijk verschijnsel was dan die van enkel politieke keuze. En het is daarom nodig, dat men de politieke Doorbraak van 1946 behandelt in een breed kader en ook haar theoretische, d.w.z. theologische grondslagen expliciet maakt. Dan eerst wordt duidelijk, ten eerste, waarom zij mislukte, en ten tweede, dat met die constatering nog geenszins een streep is getrokken onder de actuele betekenis ervan. Wij stellen dus de vraag naar de theologische theorie (of leer) t.a.v. de verhouding geloof en politiek, die de Doorbraak dreef, en plaatsen deze in de context van de kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen van de tweede eeuwhelft. Deugde deze theorie of deugde zij niet? Had zij een soliede geestelijke en maatschappelijke basis of zong zij haar lied 'als een eenzame vogel op het dak' (Ps. 102:8). Als zij een beter lot had verdiend, kan zij dan zo geherformuleerd worden, dat zij betekenis heeft in de huidige politieke situatie?

2. De situatie na de Tweede Wereldoorlog

De geestelijk-maatschappelijke situatie kort na de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt door twee componenten: vernieuwing en conservering. Er was onmiskenbaar een sterke roep om vernieuwing van de Nederlandse maatschappij en om doorbreking van de oude statische patronen. Ik gebruik hier het woord 'doorbreking', omdat het suggereert, dat er een duidelijke tendentie was, muren te slechten om daardoor ook werkelijk met de ander in gesprek en op velerlei terrein tot samenwerking te komen. Velen wilden niet alleen 'wederopbouw', maar ook 'nieuwbouw'.

Hoe verbreid deze vernieuwingstendentie was, ook buiten het politieke terrein, kan men goed demonstreren aan de grondgedachten van de Nederlandse Hervormde Kerkorde van 1951, die in zekere zin de kerkelijke parallel van de Doorbraakidee vormt. Deze heeft een structuur, waarin de kerk zich niet exclusief-antithetisch tegenover het volk opstelt, maar aan het volk in brede zin dienstbaar wil zijn; men kan het tegenover het antithesemodel een presentiemodel noemen. Tekenend is in dit verband het rapport 'Christen-zijn in de Nederlandse samenleving' van 1954, waarin de Hervormde kerk bijv. weigerde de schoolkeuze aan haar leden voor te schrijven en waarin zij nadrukkelijk verantwoordelijkheid aanvaardde voor zowel het christelijke als het openbare onderwijs. Veelzeggend is ook het breed opgezette vormingswerk, dat vele jaren lang veel werk heeft verzet in het bijeenbrengen van geestelijk, politiek en beroepsmatig verschillende volksgroepen.

Dat het ideaal van nieuwbouw in de samenleving niet werd gerealiseerd, kerkelijk niet en vooral ook politiek niet, lijkt op het eerste gezicht een raadsel. Ondanks dit zo wijd verbreide en zo overtuigd beleden vernieuwingsenthousiasme kwam uit de smeltkoker van de oorlog de oude vooroorlogse samenleving te voorschijn. De oude gebouwen bleven staan, de verzuiling bleef nagenoeg volledig intact. Wat men echter niet zag, is, dat deze gebouwen inwendig veel sterker vermolmd waren dan men waar wilde hebben. Het werd ook tientallen jaren lang nog niet politiek zichtbaar; hier bleek de verzuilingsstructuur het taaist. Desondanks verkeek men zich grondig. En dat werd ook al spoedig in algemeen maatschappelijk en cultureel opzicht duidelijk. Men kan globaal het verschijnsel van inwendige slijtage aanduiden met het begrip secularisatie, al spelen uiteraard ook andere factoren als toeneming van welvaart, mobiliteit, individualisering en dergelijke een rol. Ik gebruik het woord secularisatie hier dus in een brede zin, als verval van de oude morele en culturele door het christendom gestempelde structuren. De snelheid van dit verval in onze Nederlandse samenleving is een van de sociologische raadsels binnen Europa. De secularisatie in de hier gebruikte zin betekende in maatschappelijk en cultureel opzicht, dat de ideologische inhoud van de opgebouwde cultureel-maatschappelijke structuren wegsmolt. Op vele terreinen - om maar iets te noemen: het vormings- en opbouwwerk, het ziekenhuis- en zorgsysteem, het verenigingsleven, het maatschappelijk werk - kregen, hand in hand met toenemende schaalvergroting en technocratisering, neutrale organisatievormen en opvattingen de overhand. Ongetwijfeld bleven op politiek en maatschappelijk terrein aanmerkelijke resten van de verzuiling bestaan, maar veelal in een ideologisch uitgeholde vorm (onderwijs, media). Maar dat feit neemt niet weg, dat de verzuiling als overheersend systeem verdween. Deze verdwijning en uitholling vormen een groot geestelijk en maatschappelijk probleem, omdat hiermee voor velen het geestelijk tehuis, ook als voedingsbodem en activeringsmiddel van maatschappelijk en politiek engagement, verdween en door niets evenwaardigs werd vervangen.

‘Men was na de oorlog nog niet aan
de Doorbraak toe en al heel spoedig
daarna was zij al achterhaald….’

Als het juist is, dat de seculariserende geestelijke en cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen de eigenlijke en diepere oorzaak vormen van de mislukking van de Doorbraak, dan komt de vraag naar zijn actualiteit-toen in een merkwaardig licht te staan. Kort gezegd: men was er na de oorlog tegelijkertijd nog niet aan toe en al heel spoedig daarna was men er al overheen, zij was al heel spoedig achterhaald. Het recht van een kerklid om vrij zijn politieke partij te kiezen - eerder nog een zaak van heel wat conflicten in kerkelijke milieus - werd geleidelijk een zaak van schouderophalen en indifferentisme. Men werd postmodern, gunde ieder het zijne en het effect was een toenemend neutralisme. Ik bedoel hier met neutralisme niet alleen de sterk groeiende nadruk op de neutraliteit van de publieke ruimte en de staat, maar vooral ook de verzakelijking en pragmatisering van eerder aan gezamenlijk beleden waarden en normen gebonden leefvormen en instituties.

Ik zei, dat dit snelle verloop raadselachtig is. Het moet te maken hebben met een diepzittende afkeer van kerk en geloof (ondanks, maar misschien juist ook vanwege de aard van een sterk belijnde en conflictueus geaarde kerkelijkheid in ons vaderland). Deze afkeer geeft aan het Nederlandse neutralisme een agressieve trek. En het loopt dan ook gelijk op met de toenemende antikerkelijkheid. Deze heeft in de vaderlandse geschiedenis oude wortels en hangt samen met de ontstaansgeschiedenis van onze democratische bestuursvormen enerzijds en met een reeds vroeg constateerbare tegenstelling tussen 'kerkelijken' en 'neutralen' anderzijds (vanaf 'volk en regenten','prinsgezinden en patriotten', 'fijnen en liberalen' tot - thans - niet ongevaarlijke bijgelovigen en wetenschappelijk ontwaakte verlichten). Er heerst langzamerhand in Nederland in brede spraakmakende lagen een vanzelfsprekendheid t.a.v. godsdienst en kerk, die dit verschijnsel beschouwt als een dom en zelfs gevaarlijk atavisme en zelfs de eigen onkunde van het gezamenlijke christelijke Europse verleden als een deugd lijkt te beschouwen.

Het is dit soort Nederlands secularistische antikerkelijkheid, dat elk dieper nadenken over een mogelijke verhouding tussen geloof en politiek eenvoudigweg onmogelijk maakt. Men kan zelfs stellen, dat de Nederlandse nongodist hierdoor reeds in 1946 niet meer in staat was, de drijfveren van de Doorbraak, met zijn sterk kerkelijke motivering, ook maar te begrijpen. Hij beschouwt het (aanvankelijk nog met enige welwillendheid) als de private levensbeschouwelijke grond, die ieder mens voor zich kiest en die verder geen openbaar-politieke betekenis heeft. Die kerkmensen waren nu eindelijk ook wat bescheidener geworden en dan valt er misschien ook wel mee te werken.

Waarom is ondanks dit alles de Doorbraak van 1946 echt vernieuwend te noemen? Juist, omdàt zij niet berustte op indifferentisme, maar voor de betreffende kerkleden veeleer een zaak van bijbels geloof en kerkelijk belijden was. Zij was gefundeerd op een doordachte opvatting over de verhouding tussen geloof en politiek. Ik meen daarom te mogen stellen, dat de Doorbraak het niet aflegde tegen de feiten op grond van theoretische zwakte of ideologische armoede, maar vanwege het overhand nemende secularistisch neutralisme, op zijn Hollands: in de weigering om na te denken (of een ander op zijn denkwegen te volgen). Daardoor werd het in toenemende mate moeilijk, duidelijk te maken, dat de Doorbraak berustte op een weloverwogen geloofskeuze. Zij was een theologische aangelegenheid en zij werd ook theologisch verantwoord. Dat zulk een verantwoording in het huidige klimaat niet meer te articuleren valt en naar de privé-sfeer wordt verwezen, is verontrustend, zoals ook in het algemeen het 'afschudden van de ideologische veren' verontrustend is. Juist daarom is de gedachte van de Doorbraak niet achterhaald, maar in een tijd waarin de wenselijkheid van een partijprogramma bij herhaling heftig ter dicussie staat, zelfs uiterst actueel! Ik kom daarop terug.

Theologische verantwoording van de Doorbraak.

Indien de theologische verantwoording in deze (Protestantse) Doorbraak zulk een centrale en zwaarwegende rol speelde, wat hield deze dan in? Al in 1945 hadden zeven Hervormde Amsterdamse predikanten in ‘Wat bezielt ze’ vanuit hun christelijke en evangelische roeping hun keuze voor de SDAP verdedigd, maar tot een uitvoerige en systematische theologische verantwoording kwam het in 1947 met de verschijning van het boek van de bevlogen Eindhovense chemicus-theoloog C.J. Dippel, ‘Kerk en wereld in de crisis’, dat men wel een soort 'bijbel' van de (Protestantse) Doorbraak kan noemen.

Ik ga op de positiebepaling van beide geschriften kort in. In beide wordt partijvorming op christelijke grondslag afgewezen. Deze wordt theologisch als volgt gemotiveerd.

1. Uitgangspunt is de door Karl Barth verdedigde opvatting, dat God de soevereine Heer is over zijn spreken en dat dit spreken daarom nooit als een voor de mens beschikbaar gegeven mag worden beschouwd of behandeld. 'De persoonlijke daad van Gods genadige neerbuiging tot de mens is niet te vangen in een continu aanwezige betrekking of toestand, waarin het handelen van God overgaat in het handelen van de ... mens.' (Dippel, p. 93) Dit betekent, dat alle maatschappelijke structuren als partij en vereniging betrekkelijk zijn en nooit mogen berusten op een politiek of ideologisch vastliggend beginsel. Het zoeken van de wil van God zal altijd moeten geschieden in het besef van de relativering van alle menselijke werk. Alles wat zich tooit met het epitheton 'christelijk' zal daarom met het nodige wantrouwen moeten worden bezien, of beter, positief uitgedrukt: op zijn papieren moeten worden ondervraagd. Dit zoeken op zichzelf wordt uiteraard niet gerelativeerd, integendeel: de christen is te voor en te na geroepen, de vraag naar de wil van God voor de concrete situatie te stellen. Maar deze vraag zal altijd in een ruimte vol relativiteiten en daarom op basis van deskundigheid en informatie moeten plaatsvinden, en dat in dialoog met anderen.

2. Dit uitgangspunt leidt tot een radicale afwijzing van de antithesegedachte, omdat 'zij de Kerk vervreemdt van de zakelijke verhoudingen der werkelijkheid en het volk verre houdt van het vertrouwen in de bovenpartijdige strekking van de Evangelieprediking'. (Wbz., p. 11) Let wel, de antithese wordt hier in de eerste plaats beschreven als schadelijk voor de kerk en haar boodschap. Maar dat heeft een onmiddellijk politiek en maatschappelijk belang: want als de kerkelijke boodschap zuiver wordt gepredikt, is zij de scherpste kritiek op de 'neiging, christelijke beginselen absoluut te stellen en aldus het resultaat van de afleiding te vereenzelvigen met het Woord Gods.' (Dippel, p. 159) Het vasthouden aan de antithese 'heeft de ontmoeting met het volk in alle lagen verhinderd, heeft het gesprek over en weer afgesneden, heeft ons politieke leven, d.i. de gemeenschappelijke zorg voor het gemenebest, gebannen in een hopeloze onvruchtbaarheid.' (Wbz., p. 11) Kortom: de antithese is een voor kerk èn volk schadelijk bolwerk, 'een absolute vesting' (Dippel 149) die moet worden afgebroken.

3. Impliciet is hiermee de kritiek op de christelijke principes, de befaamde 'beginselen', soms zelfs 'eeuwige beginselen' genoemd, gegeven. Op het fundament van Gods veronderstelde scheppingsbeginselen 'wordt een gesloten gebouw opgetrokken, waarin de gehele christenheid afgesloten en veilig kan wonen'.(Dippel, p. 149) Men wordt niet meer met het Woord Gods, maar met zijn eigen systeem van beginselen geconfronteerd. De noodzaak van politieke theorie en het ontwikkelen van beginselen worden in deze Doorbraakgeschriften niet ontkend, maar zij worden gezien als een zaak van 'voortgaan van beslissing tot beslissing, met een volkomen aanvaarden van de betrekkelijkheid van onze maatschappelijke vormgevingen'. (Dippel, p. 272) Wat hieraan christelijk is, is, dat christenen in dit proces volledig betrouwbare gesprekspartners moeten zijn. Het gaat steeds om een zakelijke worsteling, voor een christen vanuit het Woord Gods, maar solidair in gezamenlijkheid met alle relevante partners. Politiek dient zakelijk te zijn, maar deze zakelijkheid heeft zijn grond in een sterk gebonden overtuiging.

4. Men zou de neiging hebben om te zeggen: dit is niet zoveel anders dan de bekende scheiding tussen privé-opvatting en publiek handelen; hier kan iedereen mee tevreden zijn: van het geloof van de gelovige merken wij zogezien in de politiek gelukkig niets. Nu, dat geldt voor deze auteurs zeker niet voor de rol van de kerk in het openbare leven en ook in persoonlijk opzicht niet voor de rol van het geloof als bron van politieke theorievorming. Zo is bijv. de opvatting van de verhouding van kerk en staat is bij de Doorbraakdenkers geheel anders dan de extreme opvattingen die vandaag de dag opgeld doen. Want ten eerste blijft het engagement met hun geloof niet onzichtbaar en ten tweede zullen zij van hun niet-kerkelijke partners eisen, dat zij evenzeer vanuit hun persoonlijke levensovertuiging te werk gaan. Zonder zulk een overtuiging komt er immers van werkbare theorieën, ja van, zij het nog zo relatieve, politieke principes niet veel terecht. Alle samenwerking houdt gezamenlijke worsteling om het juiste gezichtspunt (dat niet uit de lucht komt vallen) in en ongetwijfeld ook de noodzakelijke 'choc des opinions', die het mogelijk maakt, nieuwe, niet dadelijk voor de hand liggende wegen te vinden. Overtuiging is voor het debat over principes juist nuttig en nodig. Dippel c.s. zien in de kerk een bron van bezieling voor het openbare leven, die slechts met grote schade over het hoofd gezien wordt. Zij attaqueren daarom ook heftig de idee van de absoluut neutrale staat. Dippel valt in feite een zo geheel anders gestemde denker als A.A. van Ruler bij, dat een lege troon op gevaarlijke wijze open staat voor demonis(zie voor het essay van De Knijff: Heeft de Doorbraak van 1946 vandaag nog maatschappelijke betekenis?)
erende krachten. Het is bijv. nog niet zo eenvoudig om te staan voor een rechtsstaat, die opkomt voor 'recht, vervulling van nooddruft, weerstand tegen de demonische machten, die beslag leggen op de geest van de mens' (Dippel 120). Overtuiging is niet iets lastigs, wij hebben aller overtuiging juist hard nodig.

De scheiding tussen overtuiging en politiek engagement, tussen privé en publiek, tussen kerkelijk en neutraal, is dus voor de Doorbraak juist een bron van politieke theorievorming, en daarmee openbaar relevant en discussieerbaar.

De Doorbraakidee nader bezien

Ik geef een paar kritische kanttekeningen, die nodig zijn om mijn stelling van de blijvende actualiteit van de Doorbraakgedachte te ondersteunen. Allereerst moet men vaststellen, dat de radicale Barthiaanse kritiek op christelijke principes en organisatievormen bevrijdend heeft gewerkt en een goede basis heeft gevormd voor een nieuwe theorie van politiek handelen, zonder ook maar in enig opzicht relativerend te zijn terzake van het geloof. Maar zij bezat een onhelderheid, om niet te zeggen, zwakte: zij maakt (politieke) theorievorming moeilijk. Het actualistische element (per geval meningen vormen en beslissingen nemen) werkt hier remmend. Dippel wilde geen (christelijke) principes in de politiek, maar was hierin zelf niet consequent (zoals uit zijn protest tegen de neutrale staat blijkt). Barth trachtte het dreigende isolement van het kerkelijk denken over politiek te relativeren met behulp van de gedachte van de analogie: de staat moet een afschaduwing zijn van de kerk, een kring rondom de kerk en haar verkondiging. Als zo'n analogie noemt hij bijv. het opkomen voor de gelijke rechten van de vrouw op grond van de gelijkheid van alle mensen voor God, of de rechtsstaat als analogon van de goddelijke rechtvaardiging. (Christengemeinde und Bürgergemeinde, p, 16vv.) Deze analogieën fungeren dan toch weer als (zij het dynamische en steeds weer ondervraagbare uitgangspunten). Wil dit echter werkbaar zijn, dan moet men kunnen rekenen op een minimum aan humanistisch-christelijk bestand in het staats- en volksleven en ook bij de politieke medegenoten, bijv. terzake van gedeelde waarden en normen (als gezin, arbeid, maatschappelijke verantwoordelijkheid en derg.). Maar omdat deze consensus door het secularisme verdwijnt (de genoemde vermolming!), is deze weg moeilijker begaanbaar geworden. Christelijk-theologische politieke theorievorming dreigt zo geheel in de lucht te komen te hangen, zij raakt gauw weer onder de verdenking van antithetische kerkelijkheid. Door de neutraliserende secularisatie dreigen eigenlijk sluipend nieuwe vormen van antithese te ontstaan (vgl. bijv. in de jaren tachtig: IKV-ICTO). Ondanks alle gelijk van de Doorbraaktheologen moet men zeggen: politieke principes zijn onvermijdelijk en het ene principe is christelijker dan het andere, al heeft men nog zoveel legitieme reserves tegen het etiket christelijk. Een absolute scheidslijn tussen geloofsgezichtspunt en politiek principe is dus niet gewenst. Men kan bijv. heel wel vanuit het bijbelse sabbatsgebod verdedigen, dat het beginsel van tijd nemen voor rust en bezinning christelijker is dan een pleidooi voor workoholisme; op deze wijze kan men een alleen voor de gelovige geldend gebod vruchtbaar maken voor een politiek-filosofische gedachtegang over arbeid en rust, waar men wellicht zonder deze theologische aanzet niet toe was gekomen. Maar hiervoor behoeft de antithesekritiek van de Doorbraak niet op de schop; dat wordt in bovengenoemde publicaties ook wel duidelijk. Dit soort bezig zijn met politieke beginselen behoeft ook geenszins het karakter te hebben van de vroegere ketterjagerij.

Wij stuiten hierbij op een ander gezichtspunt, waaraan ik tot nu toe ben voorbijgegaan en dat is het feit, dat de Doorbraak niet alleen een 'Barthiaanse' aangelegenheid was, al was de 'Barthiaanse' kritiek wel de meest opvallende, omdat zij regelrecht en polemisch het antithesemodel theologisch aanviel en daarmee vorm gaf aan een soort 'Gebot der Stunde'. Maar een man als W. Banning had, om het zomaar eens te zeggen, geen Doorbraak en ook geen Doorbraaktheologie nodig om voluit socialist te zijn. Hoewel dus hier de theologische motivering een veel geringere en minder opvallende rol speelt, is het toch nuttig, de vraag te stellen: hoe ziet de Doorbraak en het verloop ervan er uit vanuit het gezichtspunt van het door Banning aangehangen 'personalisme'? Ik wil er in het verband van de verhouding tussen theologische geloofsgegeven en (meer filosofisch) politiek beginsel, waarover ik zo-even sprak, graag iets over zeggen, of beter: er een vraag over stellen. Banning zou waarschijnlijk geen moeite hebben met religieus geïnspireerde beginselen. In zijn context - van vrijzinnig predikant - was het gevaar van theologische verabsolutering ook veel minder groot. Mijn vraag is: kan deze personalistische insteek vandaag nog betekenis hebben? Ook hier bestaan (en bestonden) nogal wat vaderlandse vooroordelen en wel vooral van socialistische zijde: vanuit marxistisch gezichtspunt vond men het personalisme verwerpelijk, omdat het politiek-maatschappelijk geen bijdrage kon leveren om de ijzeren mechanismen van het kapitalisme te doorbreken. Maar hoe plausibel deze overweging ook is, is daarmee dit personaal-ethische gezichtspunt geheel afgedaan? In het licht van eerder genoemde problematiek rondom de Barthiaanse insteek zou ik daar een vraagteken achter willen zetten. Deze twee benaderingen zouden wellicht, ook gezien in het licht van de geschiedenis van de tweede eeuwhelft, niet onverzoenlijk hoeven te zijn.

De actualiteit van de Doorbraakgedachte in 2006

Als het juist is, dat de Doorbraakgedachte mislukte door het na de Tweede Wereldoorlog verborgen gebleven en daarna in toenemende mate heersend geworden secularisme, dan verdient de Doorbraak vanuit christelijk standpunt gezien een herkansing. Deze zou een pleidooi kunnen zijn voor theorievorming, welke nooit alleen maar afhankelijk is van politiek-wetenschappelijke analyse, maar ook van opvattingen en overtuigingen, anders gezegd: van nadenken en wel nadenken vanuit de eigen levensbeschouwelijke traditie als bron van theorievorming en plaatsvindend voor het front van en in debat met publieke uitdagers. De PvdA zou daarom haar onnozele (reeds electoraal onverstandige) onverschilligheid tegenover kerk en godsdienst moeten afleggen en iedere levensovertuiging moeten uitdagen haar inbreng politiek te articuleren. Dat wil zeggen: men zou de levensbeschouwelijke 'werkgemeenschappen' weer in ere moeten herstellen (waarbij ook aan een islamitische werkgemeenschap gedacht moet worden), om de denkbijdragen vanuit concreet gegroeide tradities te benutten en in discussie te brengen. De Doorbraak verdient dus niet alleen vanuit christelijk gezichtspuntpunt een herkansing, maar evenzeer vanuit politiek gezichtspunt. De afkeer van inhoudelijke theorievorming, ook in een partijprogramma, moet worden overwonnen. Politiek is meer dan bureaucratische technologie. 


Welkom