Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Banning Werkgemeenschap
 
 

Marleen Barth bij de aanvaarding van het voorzitterschap van de Banning Werkgemeenschap voor de PvdA op 5 april 2008:

Gelovig zijn én links gaan prima samen

Diep in 1981 deed ik een ontdekking die voor de rest van mijn leven bepalend zou zijn. Ik was 17 jaar, een puber volop zoekend naar een eigen identiteit. Ik voelde me vaak verscheurd tussen twee werelden. Aan de ene kant thuis in de wereld van mijn katholieke, progressieve, maatschappelijk betrokken ouders. Maar ik hing ook rond met nihilistische punkvriendjes en besteedde een belangrijk deel van mijn zakgeld aan bijpassende outfits en muziek.

Eén van de LP’s die ik die herfst kocht, was van een wat obscuur Iers new wave bandje. ‘October’ heette die plaat en het singletje dat er af was gehaald ‘Gloria’. Toen ik de tekst van dat nummer goed beluisterde, kreeg ik een enorme schok. ‘Gloria’ ging niet over een meisje van die naam. Het bleek onderdeel van een gebed: “Gloria, in te domine. Gloria, exultate. Oh Lord, loosen my lips.” En zo werd het U2 (het toen nog onbekende bandje) dat twee ogenschijnlijk tegengestelde kanten van mijn leven zo maar opeens met elkaar wist te verzoenen. Coole muziek maken en geloven, dat ging dus samen. Arafatsjaals en leren jacks dragen én Gods lof bezingen, dat paste dus bij elkaar. Ik was niet alleen.
De liefde voor U2 is nooit meer over gegaan.

Dat gelovig zijn én links op persoonlijk niveau prima samen kan gaan, heeft Lilianne Ploumen in haar rede zojuist overtuigend geschetst. Ook voor mij was er vanaf mijn zeventiende niets onnatuurlijks meer aan om van Trouw over te stappen naar de PvdA en naar het CNV. Toch heb ik me als katholiek in de PvdA regelmatig gevoeld als een vreemdeling in Jeruzalem. Met de tradities van de rode familie heb ik niet zo veel. Als kersvers Kamerlid vond ik 1 mei-vieringen slappe aftreksels van de mis, en de Internationale ken ik nog steeds niet uit mijn hoofd. Ook moest ik erg wennen aan de soms wel zeer geringschattende opmerkingen die er door sommige fractiegenoten over christenen gemaakt werden (“de christenhonden van het CDA”).

Toch was en ben ik overtuigd sociaal-democraat. Ik vind dat de politiek vooral ten doel moet hebben een solidaire, rechtvaardige samenleving te creëren waarin iedereen een eerlijke kans krijgt –en nog een tweede ook, als dat nodig is. De liefde kwam alleen niet altijd van twee kanten.

En dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. De Partij van de Arbeid worstelt met de relatie tussen religie en sociaal-democratie. We zijn als partij weliswaar gegrondvest op de Doorbraak van 1946, geïnitieerd door mensen als Willem Banning, J.J. Buskes en Willem Schermerhorn, met de nadrukkelijke wens om alle progressieve mensen, ongeacht hun inspiratie, te verbinden. Maar binnen een paar jaar na de oproep tot Doorbraak was die al verzand in ‘een enigszins verbrede SDAP met een nieuwe naam’, zoals de biografe van Joop den Uyl, Anet Bleich, het uitdrukt.

De ingewikkelde relatie tussen religie en sociaal-democratie is decennialang aan het oog onttrokken door maatschappelijke ontwikkelingen als ontkerkelijking en secularisatie. Nergens ging dat zo snel, zo ver en zo diep als in Nederland, beschrijft de Amerikaans-Nederlandse hoogleraar James Kennedy. Binnen tien jaar sloeg Nederland om van een diep-christelijke natie naar een liberale vrijplaats. Er was de komst van een grote groep immigranten voor nodig om het debat over de actuele betekenis van de Doorbraak nieuw leven in te blazen. Zij vinden het heel normaal om hun geloof publiek te belijden. De PvdA vindt dat in mijn ogen, in weerwil van de kritiek van Ploumen op Mark Rutte, niet.

Daarvoor wordt er te opzichtig geworsteld met handdrukken en burka’s, en de vrijheid van godsdienst, meningsuiting en onderwijs. De PvdA belijdt als partij weliswaar tolerantie, openheid en gelijkwaardigheid van inspiratiebronnen om te komen tot een keus voor de sociaal-democratie. Zie het Beginselprogramma van 2005, zie de motie die vorig jaar op het partijcongres werd aangenomen. Maar dat neemt niet weg dat veel PvdA’ers, leden en kiezers, niets van godsdienst moeten hebben; die elke beperking die mensen zich vanuit hun religie opleggen beschouwen als ‘achterlijk’, of die het bijzonder onderwijs beschouwen als ongewenste indoctrinatie van kinderen en strijdig met de scheiding tussen kerk en staat.

Toen er vorig jaar gesproken werd over de toekomst van de Protestantse Werkgemeenschap, heb ik dan ook met graagte mijn vinger opgestoken. Om mee te denken over en te werken aan de relatie tussen religie en sociaal-democratie. Die twee gaan prima samen, en niet alleen voor mij of de mensen hier aanwezig. Maar om in brede lagen van de partij geaccepteerd te krijgen dat die relatie bestaat, en niet schadelijk en schandelijk is, moet meer gebeuren dan stil staan bij persoonlijke ervaringen. Van belang is vooral ook om elkaars taal te spreken –zonder dat versta je elkaar niet.

Zo heb ik Job Cohens betoog uit 2006 over de omgekeerde Doorbraak ook verstaan. Als katholiek sociaal-democraat ben ik volledig gewend mijn diepste overwegingen en overtuiging te vertalen naar woorden die seculiere partijgenoten kunnen verstaan. Zoals ik mijn punkvriendjes in 1981 niets vertelde van mijn ontdekking over U2 - dat zou maar parels voor de zwijnen zijn - vertaal ik mijn idealen nu naar (post)moderne frasen. In het hoofdbestuur van het CNV hebben we eens een discussie gevoerd over de vraag waarom wij het, als christelijk-sociale beweging, eigenlijk hebben over ‘solidariteit’ en niet over ‘naastenliefde’. Het zou het CNV heel helder van de FNV onderscheiden als we dat deden. Maar de conclusie was snel: dat stoot mensen maar onnodig af.

Als een journalist of een collega bij mijn nieuwe werkkring, GGZ Nederland, mij vraagt waarom ik daar graag voorzitter wil worden, zeg ik dat ik daar mijn streven naar een rechtvaardige samenleving waarin plaats is voor iedereen hoop te verwezenlijken. De waarheid: dat ik geloof in de radicaliteit van het feit dat ieder mens naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen, óók die vieze schizofrene zwerver, houd ik voor me. Net als de uitspraak van Jezus dat wat je doet voor je naaste, je voor hem hebt gedaan. Waarom vertel ik dat niet? Simpel, omdat mensen die niet in God geloven me dan niet meer begrijpen, of erger nog, me veroordelen of uitlachen.

Het omgekeerde, dat seculiere partijgenoten moeite doen om mijn taal te spreken, maak ik eigenlijk zelden tot nooit mee. Islamieten moeten in Nederland precies dezelfde ervaring hebben. Er wordt wel erg vaak gebruld dat ‘wij ons wel genoeg hebben aangepast’. Maar hoeveel autochtone, seculiere Nederlanders tonen werkelijk belangstelling voor de gebruiken en rituelen van hun christelijke, islamitische, hindoestaanse of orthodox-joodse landgenoten? Waarom reageert ook de PvdA-fractie zo verkrampt op (het uitblijven van) een handdruk? Waar gaat het nu om, een respectvolle en hartelijke begroeting, of de Westerse traditie waarmee die doorgaans geuit wordt?

Het belang van het leren spreken en verstaan van elkaars taal is indringend uiteengezet door de Duitse filosoof Jürgen Habermas, toch niet echt beroemd vanwege zijn anti-liberalisme. In een lezing vlak ná 11 september 2001 zette hij uiteen hoe het democratische gelijkheidsbeginsel zich in diepste wezen niet verdraagt met de gedachte dat religie achter de voordeur, of achter het slot op de mond hoort. Dat belast religieuze mensen immers zwaarder dan seculieren, omdat hun bijdrage aan het open, democratische debat aan voorwaarden wordt gebonden. In het beste geval leidt dat voor hen tot ingewikkelde vertaalacties zoals zojuist geschetst, op z’n slechtst legt het religieuzen censuur op.

Wie religie beschouwt als een achterhaald verschijnsel waar de moderne tijd uiteindelijk wel korte metten mee maken zal, ziet volgens Habermas de vrijheid van godsdienst niet als een grondrecht, maar als een vorm van ‘culturele natuurbescherming voor uitstervende soorten’. ‘Waarachtige democratische discussie vereist niet alleen dat religieuze mensen wordt toegestaan hun visie in het publieke domein naar voren te brengen, maar bovendien dat niet wordt uitgesloten dat hetgeen zij naar voren brengen waardevolle, belangwekkende en ware inzichten bevat. Hiervan gaan religieuze mensen zonder meer uit, maar van seculiere burgers veronderstelt het een mentaliteit die allesbehalve vanzelfsprekend is’, zegt Habermas. Hij heeft het ook over het Nederland van april 2008.

Van een partij die oprecht sociaal-democratisch wil zijn, dat wil zeggen: streven naar niet alleen formele, grondwettelijke, maar ook materiële, werkelijk bestaande gelijkwaardigheid van alle burgers, mag dus verwacht worden dat zij opkomt voor ieders recht op een eigen taal, en het recht op de inspanning van medeburgers om verstaan te worden. Ook de mensen met een taal die door de meerderheid onbegrijpelijk wordt gevonden; juist die mensen verdienen de PvdA die wil opkomen voor de zwakkeren in de samenleving aan hun zijde. Doet de partij dat niet, dan levert zij de vele minderheden die Nederland rijk is uit aan het recht van de grootste bek.

Sterker nog, een partij die zichzelf beschouwt als de enige echte erfgenaam van de idealen van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid, broederschap, hoort pal te staan voor de toepassing van die uitgangspunten voor ieder mens. Daarbij gaat het niet aan een van de drie samenstellende delen, de vrijheid, te plaatsen boven de andere twee. Het adagium laat juist feilloos zien waar de beperkingen liggen. Vrijheid zonder broederschap ontaardt in jezelf verrijken ten koste van anderen of het nodeloos kwetsen of beledigen van je medemens. Gelijkheid zonder vrijheid is dictatuur. Broederschap zonder gelijkheid wordt eng chauvinisme. En misschien had John Lennon ook wel gelijk: hij zette de Franse revolutie op zijn plaats door de eerste akkoorden van de Marseillaise te laten volgen door ‘All you need is love.’

Misschien kan de sociaal-democratie zelfs leren van wat religie mensen te bieden heeft. Bijvoorbeeld het omgaan met lijden en de onontkoombare feitelijkheid van een gebroken wereld. Joop den Uyl verloor zijn gereformeerde geloof door de holocaust. Zijn biografe beschrijft prachtig hoe hij op 27 januari 1943 op typerende wijze, in punt a tot en met ij, afrekende met het geloof van zijn vaderen. “Een almachtige God laat zich niet rijmen met de dood van miljoenen joden”, zou hij later verklaren. Hij was de enige niet. Hoe verdraagt het afmaken van miljoenen mannen, vrouwen en kinderen zich met het streven naar het Goede, het Schone en het Ware?

Het verrassende antwoord moet luiden dat niemand weet hoe, maar dat het wel kan. Kennelijk zoeken mensen vanuit het diepste lijden steeds weer betekenis, optimisme, vertrouwen en hoop. Ook na de Tweede Wereldoorlog stonden generaties op met grote idealen om de wereld te verbeteren. Wat zouden wij ons dan uit het veld laten slaan door een stel aanslagen, hoe gruwelijk ook?

Dat kennelijk onuitroeibare zoeken van mensen laat zich zonder meer beschrijven als een religieuze behoefte. De Nijmeegse theoloog Erik Borgman wijst er in de doorwrochte studie van de WRR naar Geloven in het Publieke Domein terecht op dat waar in de moderne, gerationaliseerde tijd de politiek de neiging heeft alle ambities te beschrijven in wat sociaal of economisch haalbaar is, religies onverdroten doorgaan met het beschrijven van het wenselijke, onmogelijke en desalniettemin reële en verplichtende. Zij hebben zelfs vormen gevonden om zich te verzoenen met het voortdurende menselijk tekortschieten dat uit dit streven voortvloeit. Dat vervult een diepmenselijke behoefte. Juist in onze onzekere, verwarrende tijd van individualisering en mondialisering snakken mensen naar een samenleving waarin ze zich gekend en gewaardeerd weten zoals ze zijn, met al hun vermogens en tekortkomingen. Een Partij van de Arbeid die dat weet uit te werken heeft toch heel wat meer te bieden dan het Veronica-liberalisme uit de hoogtijdagen van de VVD, of de oer-Amerikaanse show van Rita Verdonk - hoezo Trots op Nederland?

Maar de scheiding tussen kerk en staat dan, is die voor sociaal-democraten niet heilig? Ook hier kunnen we terecht bij de WRR. Die wijst er fijntjes op dat de scheiding tussen kerk en staat weliswaar een belangrijke Europese verworvenheid is, maar dat ze stukken genuanceerder ligt dan menigeen denkt. Zo kennen verlichte landen als Groot-Brittannië en Denemarken geen formele laïcité. In Groot Brittannië is het staatshoofd tevens hoofd van de kerk. In Denemarken zijn dominees ambtenaren op de loonlijst van de rijksoverheid. Toch respecteert men ook daar de werkelijke betekenis van de scheiding tussen kerk en staat: de staat mengt zich niet in geloofsbeleving, niet één kerk overheerst in het publieke domein. In Nederland, het land van minderheden, is daar zonder meer sprake van. Maar scheiding tussen kerk en staat is iets anders dan scheiding tussen geloof en samenleving. Zij zijn op vele manieren met elkaar verknoopt en vergroeit.

Daarom is de vrijheid van onderwijs ook niet strijdig met de scheiding van kerk en staat. Wat de staat doet, is het bekostigen van de mogelijkheid voor elke ouder om de eigen kinderen onderwijs te laten volgen conform de diepst gevoelde godsdienst of levensovertuiging. Zodat hun kinderen met hun geloof als anker hun weg kunnen vinden in de samenleving. Wat de staat in Nederland doet, is via het onderwijs investeren in de gedroomde taalrijkdom van Habermas. En dat al negentig jaren lang. Onze voorouders hadden het goed bekeken, inclusief overigens de SDAP van Pieter Jelles Troelstra.
Zoals zo vaak, zie ook ik hoop bij de volgende generatie. Wij onderhouden thuis de vastentijd: we eten geen vlees, we snoepen niet. Mijn zoon, volop in de groei, onderging het dit jaar hongerig en mopperend. En eindigde met de vraag waarom wij niet ‘zo’n cool feest als het Suikerfeest kennen’. Toen ik hem op Pasen wees, antwoordde hij verontwaardigd: ‘Maar dat duurt maar twee dagen!’

De Partij van de Arbeid hoort in mijn ogen, of zij zichzelf nu beschouwt als partij van de Doorbraak of als natuurlijke voortzetting van de SDAP, volmondig te gaan staan voor een werkelijke, open dialoog met religie, zowel binnen als buiten de partij. Dat behoort tot het wezen van sociaal-democratie. Ik begin vol overtuiging aan het voorzitterschap van de Banning Werkgemeenschap om die notie levend te houden.

En om voor deze ene keer mijn eigen taal te spreken, eindig ik met psalm 30, het lied waar Gloria van U2 door geïnspireerd is.
 


Welkom