Vereniging voor Zingeving en Democratie

Welkom

Actueel

Banningprijs

Trefpunt PvdA en levensovertuiging

Banning Werkgemeenschap voor de PvdA


Banning Werkgemeenschap
 
 
Op de site treft u enkele verhalen naar aanleiding van de najaarsbijeenkomst 2009 van de Banning Werkgemeenschap voor de PvdA, gehouden in oktober. Prof. dr. Hans A. Alma, rector van de Universiteit voor Humanistiek, gaf een inleiding (hieronder); Herman Noordegraaf gaf een reactie. De discussie wordt kort samengevat in het artikel ‘Hoeveel orthodoxie kan een samenleving verdragen?'

Geloven in een open samenleving

" ‘Geloven in een open samenleving’ heb ik ontleend aan Karl Popper, de filosoof die in 1945 het boek ‘De open samenleving en haar vijanden’ publiceerde, waarvan in 2007 de laatste Nederlandse vertaling verscheen.
De open samenleving had enorm op het spel gestaan in de jaren waarin Popper aan het werk schreef. Een open samenleving is kwetsbaar. Ook nu staat ze voortdurend onder druk en zijn er bedreigingen, bijvoorbeeld vanuit een verlangen naar houvast en zekerheden.


Onder een open samenleving verstaat Popper een samenleving waarin individuen met hun persoonlijke beslissingen worden geconfronteerd. Het gaat om een samenleving die niet geleid wordt door groepsdwang, door conformisme, door totalitaire ideeën. Het gaat niet om een vrijheid-blijheid samenleving. We moeten de open samenleving niet te gemakkelijk en te paradijselijk voorstellen, nee we worden voortdurend geconfronteerd met de persoonlijke beslissingen die we nemen. Het gaat Popper daarbij niet om banale of pragmatische keuzes, het gaat hem om beslissingen over de vormgeving van de samenleving en de verantwoordelijkheid die we daarvoor dragen, om persoonlijke beslissingen op het niveau van fundamentele zingeving.

Ik zou de open samenleving in navolging van Popper willen omschrijven als een samenleving waarin individuen op het niveau van fundamentele zingeving persoonlijke beslissingen kunnen nemen en daar verantwoordelijkheid voor nemen – verantwoordelijkheid zowel voor de eigen zingeving als voor de ruimte voor de zingeving van een ander.

In een open samenleving maken mensen eigen keuzes in de vormgeving van hun leven en doen zich verschillen voor in het omgaan met fundamentele bestaansvragen. En zoals ook in het verslag van de expert meeting over Zingeving en Politiek van 4 april 2009 wordt gezegd, heeft de politiek geen bemoeienis met dit fundamentele niveau van zingeving. Dat is een stelling die ik van harte onderschrijf.

Maar de politiek heeft wel bemoeienis, en wel bij uitstek, met het scheppen van voorwaarden voor en het behoud van de open samenleving. In het verslag van de expertmeeting zegt Herman Noordegraaf: democratie is mede middel om verschillen tussen fundamentele zingevingssystemen op vreedzame wijze te reguleren. Daar zit iets heel belangrijks in.
Het gaat er dus niet om zingevingssystemen terug te dringen uit het publieke leven of ze er uit te verbannen, maar het gaat er om ze op vreedzame wijze met elkaar in verband te kunnen laten staan.

Het misverstand van de neutraliteit
Een groot misverstand dat dreigt als het gaat om de politieke verantwoordelijkheid voor de vormgeving van de open samenleving, is dat deze het best zou gedijen bij levensbeschouwelijke neutraliteit. De open samenleving is niet gelijk aan een levensbeschouwelijk neutrale samenleving; in een levensbeschouwelijk pluriforme samenleving gaat het juist om het onderkennen, soms uithouden maar vaak ook bespreekbaar maken van verschillen. Behoud van en het onderhouden van een open samenleving vraagt een heel fundamentele stellingname van politiek, een fundamente zingevingspositie die ik aanduid met de term vrijzinnigheid.

Natuurlijk is in een democratische rechtsstaat neutraliteit van belang als het gaat om het garanderen van rechten en plichten van burgers. Maar een open samenleving in de zin van Popper is niet wat er vanzelfsprekend overblijft als je rechten en plichten netjes regelt en procedures afspreekt voor handhaving daarvan.

Misschien zijn we wat te gemakkelijk geneigd te denken dat, als je maar goede afspraken met elkaar maakt, we die open samenleving wel in stand kunnen houden. We worden nu op allerlei manieren geconfronteerd met het misverstand dat levensbeschouwelijke neutraliteit de beste garantie zou zijn voor open samenleving. Het vertrouwen in de politiek zou een historisch dieptepunt hebben bereikt. Uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2006 van het CBS blijkt dat 93 procent van de Nederlanders vindt dat politici tegen beter weten in meer beloven dan ze kunnen waarmaken. Paradoxaal is dat dat niet leidt tot een oproep van die Nederlanders tot meer realiteitsbesef, nuchterheid en bescheidenheid, maar juist tot een roep om daadkracht, vlucht in populisme en polarisatie. Dus met nog meer grote beloften, en dan vaak op one issue, beloften die de suggestie wekken langs de weg van daadkracht opgelost te kunnen worden.

In politiek en media is er een groot verlies aan nuance en diepgang in discussies over hoe we onze samenleving willen inrichten. Er is een opmars van radicaler links en radicaler rechts en dat is begrijpelijk, want media en politiek hebben te maken met mensen die vragen om duidelijkheid, om mensen die ergens voor staan, om identiteitsbepalende figuren.

Wat je ziet is een verscherpte afbakening van eigen identiteit tegenover anderen: niet zozeer nieuwe vrijheid van een pluriforme samenleving, die haar diversiteit en daarmee haar openheid garandeert, maar eerder een reactie die het woord samenleving betekenisloos maakt. In het licht van de meest recente verkiezingspeilingen dringt zich bij mij het besef op dat de Nederlandse samenleving in een crisis is: een mentaliteitscrisis; een open samenleving in gevaar.

Terug naar Popper. Popper is niet blind voor dit verlangen naar een afgebakende identiteit die duidelijkheid schept ten opzichte van anderen en die vertrouwdheid met zich mee brengt en bestendigheid garandeert. Dit diepgeworteld verlangen is volgens Popper een zeer reële behoefte waaraan vijanden van de open samenleving proberen te voldoen. De kritisch-rationalist Popper, die groot vertrouwen heeft in het redelijk vermogen van de mens, ziet scherp in dat een beroep op de rede onvoldoende is in de open samenleving. Hij stelt dat een open samenleving een geloof nodig heeft en hij noemt dat een geloof in het humanitaire gedachtegoed.

Waar het me nu om gaat is dat er een nieuwe doordenking nodig is van wat het voor de politiek betekent om verantwoordelijkheid te dragen voor de vormgeving van een open samenleving. Daarbij moet benadrukt worden dat ‘open’ niet voor een leegte staat. Een ‘open samenleving’ staat voor een gezamenlijk in te richten ruimte. En wil het gezamenlijk inrichten meer inhouden dan ieder een plekje geven voor zijn of haar eigen stoel, dan zullen we erin moeten geloven dat ieders inbreng daarbij ertoe doet. Vanuit dat geloof kan dan ook een visie ontstaan op de inrichting van die ruimte en op ieders bijdrage daaraan. Ik wil daar niet gemakkelijk over denken: bij pogingen tot gezamenlijke inrichting zullen zich diepgaande verschillen van inzicht en conflict voordoen. Maar als we de dialoog over de inrichting van de samenleving niet blijven aangaan, resten ons, zoals Job Cohen stelde, slechts boksen en schieten als alternatieven over.

Ik wil dus met nadruk stellen dat de open samenleving niet in gevaar wordt gebracht door gebrek aan daadkracht of een gebrek aan duidelijkheid over de Nederlandse identiteit. Wat de open samenleving in gevaar brengt is dat politici er onvoldoende in slagen om een inhoudelijke basis te leggen onder wat zij doen of juist maar even laten. Wat de open samenleving in gevaar brengt, is een gebrek aan geloof. Het geloof dat past in een open samenleving zou ik willen aanduiden met de term vrijzinnigheid.

De invulling van vrijzinnigheid
Terug naar de metafoor: een open samenleving is dus geen leegte waarin ieder naar believen zijn/haar stoel kan neerzetten. Een open samenleving is ook geen verkaveld gebied waar zaken netjes zijn geregeld en ieder zich terugtrekt achter eigen grenzen. Een open samenleving is een gezamenlijk ingerichte ruimte waarin vanuit de verschillende bijdragen een nieuwe vormgeving ontstaat. Een open samenleving vraagt geloof in de waarde van veelkleurigheid en pluriformiteit. Makkelijk is dat niet. De open samenleving is een veeleisend project, dat slechts kan slagen bij gedeeld elan.
Wat bedoel ik dan als ik in deze context spreek van vrijzinnigheid?

Ik volg daarbij drie betekenissen die Wikipedia onderscheidt:
- vrijzinnigheid als het tegenovergestelde van een rechtzinnige of orthodoxe manier van omgaan met een bepaalde ideologie of stroming;
- vrijzinnigheid als afstand nemen van de dogma’s van het meer traditionele christendom, variërend van kerkelijke rekkelijkheid tot agnosticisme of atheďsme;
- vrijzinnigheid als een liberaal principe van vrijheid van denken, zich manifesterend in vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid etc.

Die drie betekenissen laten zich makkelijk combineren. Je kunt bijvoorbeeld als vrijzinnig sociaal-democraat lid zijn van een vrijzinnig-protestantse kerk en je samen met politici uit andere partijen inzetten voor het liberale principe van vrijheid van denken.

De term vrijzinnigheid laat zich niet gemakkelijk identificeren of positioneren. Toch gaat er achter de verschillende betekenissen een gedeelde inspiratie en waardenbetrokkenheid schuil. Achter het begrip vrijzinnigheid zit een bepaalde mensvisie, namelijk dat mensen vrij kunnen denken en dat ze van daaruit verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de vormgeving van de samenleving en daarop reflecteren. Belangrijk is ook het geloof in de zelfkritische vermogens van de mens, het vermogen om de eigen neiging om ideologisch te denken ook weer kritisch onder de loep te nemen, om er vragen bij te stellen en steeds ook weer te twijfelen aan het eigen gelijk.

De vrijzinnigheid in al z’n betekenissen hecht groot belang aan de redelijkheid van de mens, maar laat ook ruimte voor kritiek op wat in naam van de rede gezegd en gedaan wordt. Identiteit en waarheid zijn voor vrijzinnigheid niet absoluut, maar zijn evenmin betekenisloos: zij krijgen gestalte in sociale, nooit afgesloten processen die wel van waarde zijn.

Ik gebruik de term ‘geloven’ en ‘vrijzinnigheid’ niet in religieuze zin, al sluit ik dat ook niet uit, maar het gaat mij om het besef dat wat mensen inspirerend, waardevol en nastrevenswaardig vinden ertoe doet in de vormgeving van de samenleving. Het gaat me om het besef dat de open samenleving slechts kan gedijen wanneer bronnen waaraan mensen inspiratie, waarden en idealen ontlenen tot uitdrukking worden gebracht, worden benut en kritisch worden bereflecteerd. Het gaat om een geloof dat zich toont als een gezamenlijk zoeken, naar hoe we een samenleving kunnen inrichten waarin die inspiratiebronnen levend kunnen blijven en waardevol kunnen zijn.

Ik leg daarbij de nadruk op dat gezamenlijk zoeken. Vrijzinnigheid heeft echter ook zoiets als samenhang of zelfs gemeenschapszin nodig, wil zij zich verder kunnen ontwikkelen en aansprekend kunnen zijn. Een vrijzinnige identiteit zonder gemeenschap waaraan die getoetst wordt en verder kan worden vormgegeven, bestaat niet.

Maar hoe is dat mogelijk in een samenleving waarin stelligheid en duidelijk afgebakende identiteit op meer populariteit kunnen rekenen dan zoekend op weg gaan naar nieuwe vormen van verbondenheid? Hier ligt het grote probleem voor politici. Popper stelt hier dat de aantrekkingskracht die de vijanden van de open samenleving te bieden hebben, alleen doorbroken kan worden door een krachtig geloof in humanitaire waarden. Dat wil ik toelichten aan de hand van de waarde ‘respect’. Een waarde die gemakkelijk met voeten wordt getreden, maar ook een platgetreden waarde is. We kunnen heel makkelijk over respect spreken, we gaan er makkelijk vanuit dat we elkaar met respect bejegenen en we gaan er makkelijk vanuit dat we respect verdienen. Maar er is een groot verschil tussen het vrijblijvend beamen van respect en een belichaamd begrip van wat het betekent om werkelijk respect voor een ander mens te hebben. Respect is makkelijk in een gezelschap zoals we hier bij elkaar zijn, maar wat betekent het in een omgeving waarin dat moeilijker is? Wat betekent het tegenover een moslim die geen hand wil geven aan iemand van een ander geslacht? Hoe gaat we er dan mee om?

Dit vraagt om voortgaande dialoog, dit vraagt om voortdurende herbronning van de waarden die we met anderen delen en waarover we met anderen kunnen strijden. Die we in ieder geval alleen in relatie met anderen vorm kunnen geven. Dit vraagt om voeding vanuit met anderen gedeelde waarden en idealen. Dit vraagt om concretiseringen in praktijken waarin waarden en idealen gestalte krijgen. Dit vraagt niet alleen om redelijke argumentatie, maar ook om beeldende vormen die het geloof in een open, rechtvaardige en solidaire samenleving kunnen verwoorden.

Popper wijst terecht op de noodzaak van een vitalisering van en gezamenlijke inzet voor humanitaire waarden zoals die in verschillende levensbeschouwelijke tradities te vinden zijn.
Humanitaire waarden lijken vanzelfsprekend. Maar, nogmaals, een werkelijke belichaamde vormgeving daaraan in situaties waarin ze op scherp worden gesteld, is uiterst moeilijk.

Nagedacht moet worden over vormen die mensen ervan kunnen overtuigen dat de open samenleving hen iets te bieden heeft, en dat het de moeite waard is oude zekerheden daarvoor los te laten. Er zijn genoeg hoopgevende initiatieven op kleine schaal, ontwikkeld door educatieve, sociale of culturele instellingen, of door mensen die iets in hun wijk organiseren waarin die belichaamde vormgeving van die humanitaire waarden direct aan de orde is.
Maar de vraag waar het vanochtend om gaat is of in de politiek iets van deze overtuiging kan doorklinken. Is er in het politieke spel iets van die morele inzet mogelijk gericht op het gezamenlijk vormgeven aan een veranderende Nederlandse samenleving?

Vrijzinnigheid en sociaal-democratie
Ik wil dit wat nader toespitsen op vrijzinnigheid in relatie tot sociaal-democratie. Vrijzinnigheid als het geloof in een open samenleving, is niet voorbehouden aan een bepaalde politieke partij, is per definitie partijgrensoverstijgend. Zoals we zagen is vrijzinnigheid geen neutralisme of relativisme: vrijzinnigheid vraagt juist om voortdurende explicitering van bronnen van eigen inspiratie, waarden en idealen en om het aangaan van dialoog. Ik denk dat de vrijzinnigheid de sociaal-democratie hierin uitdaagt.

Ik zou willen stellen dat de sociaal-democratie naar haar aard een hoeder is van de open samenleving. Het heeft misschien een grote vanzelfsprekendheid, maar het heeft ook grote consequenties. Als ergens het geloof te vinden is in een samenleving als een gezamenlijk ingerichte ruimte waarin ieders bijdrage telt, zou het in de sociaal-democratie moeten zijn. En ik denk dat de sociaal-democratie dat ook waarmaakt. Het manifesteert zich in een veelkleurige achterban, die natuurlijk ook weer om een specifiek soort vormgeving van de open samenleving vraagt. Het risico daarbij is groot dat het gesprek over wat mensen beweegt en inspireert uit de weg wordt gegaan uit pragmatische overwegingen: er moeten tenslotte keuzen worden gemaakt en gesprekken over de bronnen van waaruit we onze waarden en idealen putten, kunnen vertragend werken en kunnen zelfs tot conflict leiden.

Als we het gesprek uit de weg gaan, lopen we het risico - om in de metafoor van het inrichten van ruimte te spreken - te komen tot een no-nonsense design of een samengeraapt zooitje. In beide gevallen kan dat leiden tot identiteitsverwarring. Het risico is vervolgens dat we, om verwarring te boven te komen, identiteit scherp afbakenen ten opzichte van anderen. Nog steeds in de metafoor: we zoeken naar een minimalistisch interieur of een stijlkamer waaruit alles verwijderd wordt dat niet in die stijl past.

De sociaal-democratie staat voor de opgave met mede vrijzinnigen de open samenleving te bewaken en uit te bouwen. Een moeilijke en weerbarstige opgave voor politiek en de sociaal-democratie, want de hang naar stelligheid en dogmatisme is sterk. We hebben geen grote verhalen te bieden, geen blauwdruk te bieden van hoe we de samenleving moeten inrichten. Tegelijkertijd hebben we die veelkleurige achterban met hun eigen bronnen van inspiratie. We hebben als het ware naast het grote verhaal van de alwetende politiek dat de open samenleving in gevaar kan brengen, het meerstemmige verhaal van de veelkleurigheid van onze achterban en dat verhaal moeten we in stelling brengen.
Wanneer we er niet in slagen om telkens weer bij onze keuzes die we moeten maken ook iets te laten doorklinken van de visie op welke inrichting van de samenleving ons voor ogen staat, dan loopt die open samenleving gevaar.

Ik denk dat het van belang is dit thema op de agenda te zetten. We moeten zoeken naar de meerstemmigheid van de kleine verhalen die mensen kan inspireren om te participeren in zo’n open samenleving die veel onzekerheid met zich meebrengt en het vermogen vraagt telkens weer kritisch na te denken hoe je in die samenleving staat.

De grote uitdaging voor de politiek is enerzijds recht te doen aan de onzekerheid die een open samenleving vraagt. Maar anderzijds ook een perspectief te bieden van waaruit mensen veel dieper kunnen gaan beseffen wat het grote goed is van de open samenleving die in Nederland toch met vallen en opstaan, met haken en ogen, gestalte krijgt.

Ik kan geen antwoord bieden op de vraag hoe we dat perspectief precies kunnen invullen. Per definitie brengt vrijzinnigheid met zich mee dat we met elkaar al zoekend een weg kunnen banen. Maar dat laat onverlet dat hier een belangrijke opgave ligt die we met elkaar moeten aangaan en die betekent dat wij moeten nadenken over wat wij verstaan onder een zinvolle invulling van een samenleving en wat wij verstaan onder een humane samenleving.
Ik hoop dat we daar vanochtend verder mee komen. "
 


Welkom