De risicosamenleving, verslag van een bezinningsweekendEerst
komt de vrijheid, dan de verantwoordelijkheid
Door Richard Esser
In het Woodbrookershuis te Barchem werd op vrijdag 2 en
zaterdag 3 maart door verschillende deskundigen en belangstellenden
gesproken over de risicosamenleving. Het weekend was een gezamenlijk
initiatief van Zingeving.net en de Vereniging Woodbrookers. Hieronder
volgt een verslag van de voordrachten van de genodigde sprekers. Het
eindigt met de reactie van Coos Huijssen op zowel deze voordrachten, als
op de presentaties van de werkgroepjes, die op zaterdag de thema’s
uitdiepten.
Fundamentele vrijheden bedreigd
Bram Grandia (Radiopastor van de Ikon)
Bram Grandia signaleert een spanning tussen vrijheid en
verantwoordelijkheid, waarvoor hij onverwacht citeert uit het nieuwe
beginselprogramma van de VVD. Daarin wordt vrijheid niet alleen als een
voorwaarde voor zelfontplooiing voorgesteld, maar ook als iets dat
slechts kan worden beleefd in het besef van verantwoordelijkheid.
‘Vrijheid is geen onbeperkte vrijheid,’ las hij voor.
In de bijbel komt Grandia dezelfde spanning tegen. Voordat God de tien
geboden bekend maakt, zegt Hij eerst: ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit
Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’ Pas daarna komen de tien
geboden. De vrijheid gaat dus vooraf aan de verantwoordelijkheid om de
vrijheid te behoeden. Paulus schrijft later in de Galatenbrief iets
soortgelijks: ‘Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden
leven; houdt dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.’
Grandia vraagt zich af wat dit betekent voor de risicosamenleving, de
samenleving waarin, volgens de socioloog Ulrich Beck, meer risico’s
ontstaan dan de bestaande structuren kunnen beheersen. Deze
onbeheersbaarheid leidt ertoe dat de roep om beheersing en controle
steeds verder aanzwellen. Dit wordt volgens de criminoloog Hans
Boutellier nog versterkt door de ongekende, bijna grenzeloze vrijheid in
de samenleving. Mensen blijken vooral de vrijheid van de
spreekwoordelijke buurman als beangstigend te ervaren.
Positief vindt Grandia, dat Boutellier zijn hoop vestigt op de steeds
luider wordende roep om fatsoenlijk burgerschap. De andere tendens
daarentegen, om van de overheid te eisen dat zij alle risico’s uitsluit
door zeer controllerend op te treden, keurt hij af. Grandia stelt dat
‘het streven naar een risicoloze samenleving kan leiden tot een
onverantwoorde aanval op fundamentele vrijheden’, en noemt daarbij de
Amerikaanse Patriot Act als voorbeeld. Dat is de wet waarmee de
Amerikaanse overheid voor de jacht op terroristen allerlei burgerrechten
mag beperken. ‘Door alle kaarten op de bescherming van de vrijheid te
zetten, leveren burgers eigen vrijheden en eigen verantwoordelijkheden
in,’ zegt Grandia. ‘Ook de vrijheid om met risico’s te leven.’
Identiteit onder druk door mediacratie
Hansje van der Woude (Oud-voorzitter Vereniging Woodbrookers
Barchem)
Volgens Tamara Benima betekent identiteit ‘jezelf zijn’, waarmee
bedoeld wordt ‘datgene zijn wat je werkelijk bent’. Hansje van der Woude
stelt dat dit geen statisch begrip is. Identiteit is een constructie die
steeds een ander deel van zichzelf laat zien, ‘al naargelang de
situatie, de mensen met wie je bent, en de dingen die je doet.’
Identiteit ontstaat in een doorlopend proces van identificatie.
Het doel van een eigen identiteit is volgens Van der Woude de
geestelijke groei, het wijzer en zelfstandiger leren denken, voelen en
geloven, om meer vat op het eigen leven te krijgen, en oprechter het
eigen leven en dat van andere te beïnvloeden. ‘Dat vereist inzicht in
jezelf, keuzes maken en een levenslang groeiproces.’
Van der Woude denkt dat de ruimte voor dit proces in een
risicosamenleving te beperkt is. We leven namelijk in twee culturen die
met elkaar botsen. De ene is de cultuur van de de redeneerkunde en het
geschreven woord, die haar uitdrukking vindt in de parlementaire
democratie en de rechtsstaat. De andere cultuur is die van het beeld, de
suggestie, de retoriek en de beeldvorming, die belichaamd wordt door de
mediacratie. Van der Woude: ‘In de ene wereld heersen de geduldige
waarheidsvinding en de weloverwogen beoordeling. In de andere regeren de
waan van de dag, wat Breedveld noemt de waarheid van hier en nu, de
stamtafel.’
Dit is voor haar een verontrustende gedachte. De mediacratie die de
risicosamenleving dagelijks voedt met gemanipuleerde, suggestieve
waarheden, bedreigt onze identiteit. Daarmee gaat de menselijke maat
verloren. De media transformeren persoonlijke en lokale gebeurtenissen
tot globale events die zo iedere werkelijkheid missen. Van der Woude:
‘Bevalt het huidige bestaan je niet? Weg eigen identiteit. Op internet
krijg je een tweede leven. Dat is de ene kant. De andere is dat mensen
in kleinere verbanden elkaar weer opzoeken. Beiden bedreigen onze
identiteit als levenslang groeiproces.’
Alternatieven voor beheerszucht in bedrijfsleven
Rienk Goodijk (bestuurslid Vereniging Zingeving, en bijzonder
hoogleraar Interne Arbeidsverhoudingen en Corporate Governance)
Boekhoudschandalen, exorbitante beloningen, bedrijfsongevallen, diefstal
en fraude: de risico’s die bedrijven – en daarmee vaak ook consumenten –
lopen, zijn er in allerlei vormen. Riek Goodijk merkt op dat de
overheid/politiek de neiging heeft om hierop te reageren met, onder
andere, steeds gedetailleerdere wetgeving ‘die in grote mate ten koste
gaat van eigen verantwoordelijkheden en persoonlijke vrijheden’.
Het bedrijfsleven lijkt risico’s ook volledig uit te willen bannen, maar
dan met systemen van zelfbescherming en indekking. Met behulp van
verzekeringen, camerabewaking, beveiligingsbeamten, en allerlei andere
systemen van risicobeheer worden er als het ware ‘hekken’, ‘muren’ en
vormen van ‘prikkeldraad’ tussen individuen, coalities en
bedrijfsonderdelen opgetrokken.
Goodijk wijt deze angstige claimcultuur met name aan de druk vanuit de
Angelsaksische landen, waar mensen niet meer te vertrouwen zijn en er
dus meer geregiseerd en gecontroleerd moet worden. Daarin passen minder
eigen verantwoordelijkheden en verantwoordelijkheden voor elkaar.
In Europa beschikken we volgens Goodijk gelukkig nog over een aantal
alternatieven, hoewel hij zich wel afvraagt hoe lang dit nog zal duren.
Eén voorbeeld van dit Rijnlandse model is de ‘comply-or-explain regel’
in de zogenaamde ‘governance codes’. Daarbij ligt de
verantwoordelijkheid voor een goede bedrijfsvoering in de eerste plaats
bij bedrijven zelf; wanneer dat niet werkt, komt de overheid met nadere
wetgeving. Een ander voorbeeld is de meer evenwichtige belangenafweging,
door niet alleen naar shareholders, maar ook naar stakeholders te
luisteren, zoals vakbonden en medezeggenschapsraden. En bedrijven zijn
in dit model in zekere zin aanspreekbaar op maatschappelijk verantwoord
ondernemen.
Volgens Goodijk is het van belang om een nieuw evenwicht te vinden
tussen de voor bedrijven bekende vraag ‘What’s in it for me?’ en het
appèl op de verantwoordelijkheid voor elkaar, de afdeling en de
onderneming waarvoor men werkt. Voorwaarde is dan wel, dat er
daadwerkelijk erkend wordt dat we onderling van elkaar afhankelijk zijn,
en dat we kwetsbaar zijn en ons kwetsbaar durven opstellen. ‘Daarmee
laten we de illusie los dat we alles onder controle kunnen hebben.’
Democratie moet fundamentalisten insluiten
Gerlof van Rheenen, directeur Woodbrookershuis te Barchem
De discussie over het strafrecht, zoals dat de afgelopen dertig jaar is
gevoerd, laat volgens Gerlof van Rheenen goed zien hoe onzeker mensen
zijn geworden van de moeilijkheid om met wetgeving de steeds complexer
wordende samenleving bij te sturen. De roep om uitbreiding van
justitiële bevoegdheden en om hogere straffen wordt, onder invloed van
de dreiging van fundamentalistisch terrorisme, steeds luider.
Hoewel aanscherping van de wetgeving volgens Van Rheenen noodzakelijk
is, gezien de ernst van de dreiging, moeten we ook weten dat het
strafrecht geen duurzame oplossing is, zoals ook de Hans Boutellier en
oud-minister van Justitie Piet Hein Donner zeggen. Strafrecht is een
vorm van geweld – althans, in de ogen van de daders – die steeds weer
nieuw geweld zal oproepen.
Beter is het om de veerkracht van de democratie te gebruiken. Het gaat
ten slotte om mensen die de grondbeginselen daarvan niet erkennen, door
geen ruimte te laten aan andersdenkenden. In West-Duitsland werd
gereageerd op de terreur van de Rote Armee Fraktion door politiek
verantwoordelijke sympathisanten uit te sluiten met een zogenaamd
Berufsverbot. Tegenwoordig dringen vooral conservatieven aan op een of
andere manier van uitsluiting van gelovigen die de spelregels van de
democratie niet onderschrijven. Democratie is voor deze politici en
denkers een zwak kasplantje dat niet kan overleven zonder bescherming
tegen bedreigingen van buitenaf. Zij zien echter niet dat een
aangescherpt strafrecht zich zal vertalen in een toegenomen afkeer van
de democratie. Met iedere uitsluiting boet zij namelijk in aan
geloofwaardigheid.
Van Rheenen stelt dat de democratie alleen kan overleven door haar
tegenstanders in te sluiten. Dat betekent niet ‘afzien van uitsluiting’,
maar is vooral het actief betrekken van tegenstanders in het politieke
debat, en het tegengaan van sociale achterstanden, door deelname
mogelijk maken in het hele spectrum van onderwijs, werkgelegenheid en
wonen. We mogen, met andere woorden, nooit het geloof in de democratie
verliezen.
Geen risico’s managen, maar gezond leven
Mariette Hamaker, huisarts in Amsterdam-West
Werken in de gezondheidszorg, en omgaan met onze eigen gezondheid
vereist volgens Mariette Hamaker dat we voortdurend risico’s inschatten.
Maar hoe moeten we met die risico’s omgaan? En hoeveel willen we ervoor
inzetten en uitgeven? Hoe we omgaan met dit soort dilemma's heeft,
volgens Hamaker, onder andere te maken met hoe we in het leven staan.
Zijn we altijd bang voor het ergste, of nemen we het leven zoals het op
ons af komt? Hamaker: ‘Als je alles probeert te voorkomen, kan je
eventueel zo krampachtig en geobsedeerd worden dat het geen leven meer
is. Als je aan de andere kant niet voldoende actief en alert zijn het
heel wel mogelijk onnodig leed op te lopen.’
Als voorbeeld van hoe moeilijk dit dilemma is, noemt Hamaker de
griepvaccinatie. Hamaker weet niet wat ze haar patienten moet adviseren.
‘Ja, heeft u al een ernstig gebrek aan longinhoud, dan zou ik het zeker
doen. Maar een kwieke zeventiger? De misschien al verzwakte
negentigjarige? Was er niet de wijsheid van de longontsteking die the
old man's friend kan zijn? Het leven kan min of meer voorbij zijn en dan
is het misschien niet zo erg om griep te krijgen en er eventueel aan
overlijden...’
Een ander probleem is het ‘risicomanagement’ van hart-en vaatziekten.
Hamaker vraagt ze zich af of het wel te managen is. Cholesterol is big
business: je kan het bij de drogist, in de supermarkt of in de apotheek
laten meten, en vervolgens kan je medicijnen nemen om cholesterol en
bloeddruk te verlagen. Een andere mogelijkheid is om toch maar te
stoppen met roken, minder of gezonder te eten, en meer te bewegen. Maar
dat is niet makkelijk, zeker niet wanneer adviezen voor medicatie worden
gegeven op basis van wetenschappelijk onderzoek, en worden gefinancierd
door de farmaceutische industrie.
Volgens Hamaker is het belangrijk om te ontdekken hoe we met onszelf en
ons lichaam omgaan. En hoe we met de ander omgaan. Ze zegt: ‘Wie ben ik,
wie ben jij, wat is de zin van ons bestaan, hebben we verbinding met
onszelf en vandaar uit met een ander? Als we dat serieus nemen, nemen we
de vragen over voeding en bewegen, over hoeveel risico we bereid zijn te
nemen voor onszelf en voor een ander, ook serieus. Dat is geen managen,
dat is leven.’ Ze erkent dat dit niet vanzelf gaat. ‘Iedereen zal dit op
zijn eigen wijze moeten leren, en dat vraagt discipline. Misschien moet
de overheid een stimulerende rol spelen?’
Nieuwe vormen van sociale samenhang
Richard Esser, bestuurslid Vereniging Zingeving
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Paul Dekker (Sociaal Cultureel
Planbureau) een betoog zou houden over het thema ‘Burgerschap in een
risicosamenleving, een plan van aanpak.’ Hij was helaas verhinderd, en
daarom dook Richard Esser in zijn publicaties om daar een samenvatting
van te presenteren. Ook probeerde hij een beeld te krijgen van wat
Dekkers plan van aanpak had kunnen zijn.
Dekker ziet burgerschap of civil society allereerst als een ideaal van
beschaafde omgangsvormen en collectieve betrokkenheid, en daarnaast ook
als onderzoeksobject. In het laatste geval definiëert hij civil society
als dat deel van de samenleving naast markt en overheid, waarin burgers
buiten hun privé-sfeer vrijwillige verbanden aangaan en
gemeenschappelijke doelen nastreven.
Esser haalde enkele resultaten aan van het onderzoek dat Dekker hiernaar
deed. Daaruit blijkt onder andere, dat er in Westerse landen tussen 1981
en 2000 geen afname is geweest, en soms zelfs een toename, van
vrijwillige verbanden, sociaal vertrouwen, politieke betrokkenheid, en
geluk. Dit staat in schril contrast met de stellingen in het befaamde
boek ‘Bowling alone’, van de filosoof Amerikaanse Hilary Putnam.
Een tweede trend die Dekker waarneemt, is dat de grenzen van de civil
society vervagen. Traditionele verbanden, zoals die van
kerkgemeenschappen, lossen op en worden minder rigide. Mensen spenderen
weliswaar minder tijd, maar ook meer geld aan sociale organisaties.
Daarnaast is er zowel een afname van het aantal lidmaatschappen van
verenigingen, als ook een toename van vrijwilligerswerk. Dekker ziet dit
oplossen van verbanden als een serieus probleem, maar ook als iets
positiefs omdat het mensen opener maakt voor anderen buiten die sociale
verbanden.
Dekker ziet vrijwilligerswerk als een ideaal bindmiddel in een
samenleving waarin traditionele structuren zijn verdwenen, en waar
mensen zich binden op basis van gemeenschappelijke interesses en doelen.
Zo ontstaat er enerzijds een open, dynamische samenleving, en anderzijds
sociaal kapitaal, oftewel sociaal vertrouwen, en een beschaafde en
betrokken samenleving.
Dit is uiteraard nog geen plan van aanpak. Duidelijk is wel dat de civil
society niet verdwijnt maar verandert. Om de nieuwe risico’s van een
open en dynamische samenleving het hoofd te bieden, zou de civil society
in aangepaste vorm nog altijd gezien kunnen worden als een
nastrevenswaardig ideaal.
Banning en de ambivalentie van de vooruitgang
Coos Huijssen, oud-voorzitter van de Vereniging Zingeving, en voormalig
Tweede-Kamerlid voor de PvdA
Coos Huijssen begint zijn reflectie op de zes voorgaande sprekers door
aan te geven dat de thematiek van dit weekend in lijn ligt met die van
de Woodbrookers. Kenmerkend is steeds weer de spanning tussen vrijheid
en verantwoordelijkheid, tussen collectief en individu, en tussen
verstand en emotie. Zo heeft volgens Banning het individu
verantwoordelijkheid voor de gemeenschap, en de gemeenschap voor het
individu.
Huijssen plaatst meteen een aantal kanttekeningen bij de ideeën van
Banning. Hij was een ‘tobberige man’ die zich zorgen maakte over het
hedonisme en de vervreemding van zijn tijd, maar Huijssen betwijfelt of
hij wel echt oplossingen had voor de beperkingen van de vooruitgang en
het rationalisme. Bovendien kleven er allerlei gevaren aan het
gemeenschapsdenken, zoals het zich afzetten tegen de buitenwereld en de
verstikking naar binnen toe. Moet het individualisme bovendien wel zo
negatief bekeken worden? Is gemeenschapsdenken niet een nostalgie naar
iets dat nooit bestaan heeft?
Volgens Huijsen is het redelijk om te denken dat de risicosamenleving
van vandaag – het bestrijden van milieuproblemen, criminaliteit en
terrorisme – een bedreiging vormt voor vrijheid en democratie. ‘Dat
klinkt redelijk, maar overdrijf niet,’ zegt hij. De staat vindt namelijk
zijn oorsprong in de belofte van veiligheid. In Babylonië en het
Romeinse rijk bestond al strenge wetgeving; in Babylonië bijvoorbeeld
tegen eerwraak. Dorpen hadden vaak ook een kasteel waar mensen naartoe
konden vluchten tegen gevaren. De huidige sociale wetgeving biedt
bovendien een vorm van veiligheid. ‘Wanneer een politieke groep, zoals
links dat lang deed, niet erkent dat veiligheid een oerbehoefte is, dan
geef je ruimte aan die andere krachten.’ Er moet dus gezocht worden naar
een afweging met behoud van een open, democratische samenleving.
Een groot probleem daarbij is, dat de politieke elite de neiging heeft
om erg rationeel te werk te gaan, en dat vervreemdt. ‘Daar legde Banning
de vinger op de zere plek’, zegt Huijssen. Hij betwijfelt echter of de
mens wel zo rationeel is. De tegenstelling die Hansje van der Woude dus
eerder maakte tussen democratie en mediacratie, tussen weloverwogen en
sensatiebelust, bestaat helemaal niet. Er zijn voorbeelden te over: de
PvdA die de media gebruikte om het imago van D66-er Jan Terlouw af te
breken, Geert Wilders als creatie van links, die het veiligheidsprobleem
lange tijd ontkende, hormonale driften als seks en geweld.
Verder lijkt Huijssen het eens te zijn met de andere sprekers. ‘Sluit
niet uit, en zoek naar nieuwe vormen van sociale cohesie,’ zegt hij.
‘Voorkom de nostalgie en oude sociale verbanden. We zullen de
individualisering moeten omarmen. Tegelijkertijd moeten we Bannings
bewustzijn van de ambivalentie van de vooruitgang en overrationalisering
bewaren.’ Daarbij moeten we dan wel oppassen met universele pretensies
over wat waar is, en wat goed is. Nostalgie en utopie helpen ons
namelijk geen van beide. ‘Het is altijd een rotzooitje geweest en zal
altijd een rotzooitje blijven, en dat moeten we een beetje goed zien te
regelen.’ Huijssen signaleert een aantal eigenschappen die ons daarbij
kunnen helpen: trots op linkse en liberale verworvenheden, respect voor
de mens, beschaafdheid maar wel in alle redelijkheid,
verbeeldingskracht, inclusief denken, en: met het onvolmaakte kunnen
leven; weten dat dit het enige is dat ons past.
In zijn slotwoord, dat volgt op de discussies die plaatsvonden in drie
werkgroepjes, stelt Huijssen dat we een nieuwe balans tussen vrijheid en
verantwoordelijkheid moeten zoeken. We moeten in het beleid rekening
gaan houden met een onderlaag in de samenleving voor wie de onzekerheid
van de globalisering en individualisering te groot is geworden.
Bijvoorbeeld met de bejaarde die op het NS-station een kaartje uit een
apparaat moet halen, maar niet weet hoe.
Het regeerakkoord speelt echter teveel in de op angst. Daar staat
bijvoorbeeld: ‘De mens is onzeker over de toekomst omdat hij die niet
kent.’ Huijssen: ‘Maar is dat niet de kern van de toekomst, dat je die
niet kent?’
Zijn risico’s werkelijk toegenomen, of is het juist beter dan vroeger?
Een spreker uit het publiek denkt dat dit per land verschilt, en dat dit
afhangt van bijvoorbeeld technologie en bevolkingstoename. Een andere
spreker zegt dat je heel specifiek moet zijn over welke risico’s je het
dan hebt, en voor wie het risico’s zijn. ‘Dat heeft alles te maken met
de ambivalentie van de vooruitgang.’ Huijssen reageert daarop door te
herhalen dat het altijd een rotzooitje zal blijven. ‘Maar op een aantal
terreinen gaat het wel beter. We hebben meer rijkdom, worden ouder,
hebben meer vrijetijd, meer vrijheid, en meer mogelijkheden om die in te
vullen. De vooruitgang heeft inderdaad keerzijden, maar de mens kan niet
zonder keerzijde. Elke tijd heeft z’n uitdagingen.’
Wouter Bos was volgens hem goed op weg, maar is in zijn missie niet
geslaagd. Hij wilde in zijn boek ‘Dit land kan zoveel beter’ op
eigentijdse wijze de Banningtraditie herformuleren. Bos erkende dat de
risicoloze samenleving niet bestaat en dat solidariteit nodig is om dit
draagbaar te maken. Huijssen heeft hierover met Bos gecorrespondeerd.
Volgens hem bleef Bos niet hangen in verbale progressiviteit, maar trok
ook werkelijk de consequenties. Marijnissen daarentegen plaatste
solidariteit niet in de nieuwe tijd. Maar helaas, Bos raakte tijdens de
campagne in het defensief en leunde weer sterk tegen Marijnissen aan,
aldus Coos Huijssen.
(Het programma over het weekend over de
risicosamenleving vindt u hier.)
|