De verwantschap tussen calvinisme en socialisme
Ook Calvijn was sociaal-democraat
De inhoudelijke verwantschap tussen calvinisme en socialisme gaat verder dan
soberheid, degelijkheid en werkdrift die aan het calvinistische worden
toegeschreven.
Bestudering van de sociaal-economische ideeën van Calvijn leidt maar tot één
conclusie: hij was in feite sociaal-democraat.
Door Herman Noordegraaf, voorzitter Trefpunt PvdA en levensovertuiging
In 2009 is het vijfhonderd jaar geleden dat Johannes Calvijn geboren werd. Dat
heeft in ons land geleid tot een explosie aan publicaties en symposia. Er werd
een grote tentoonstelling aan hem gewijd en het bleek ook nog mogelijk om een
mooi toneelstuk over hem te maken. Onvermijdelijk kwam in dat alles, zij het
meestal kort en terloops, ook de these van de socioloog Max Weber aan de orde
over de bijdrage van het calvinisme aan het ontstaan van het kapitalisme (1).
Het is dan ook verrassend bij de godsdienstwijsgeer en -socioloog Ernst
Troeltsch, jarenlang in intensieve intellectuele interactie met Weber, te lezen
over het ‘christliche Sozialismus des Calvinismus’ (2). Deze visie dat er ook
een door de ideeën van Calvijn geïnspireerd socialisme is, vinden we terug bij
eminente Calvijnkenners als André Bieler en Elsie Anne McKee (3). Het gaat dan
om een inhoudelijke verwantschap tussen calvinisme en socialisme, die verder en
dieper reikt dan een aan calvinistische invloed toegeschreven
levensstijlkenmerken als soberheid, degelijkheid en werkdrift, die we zouden
kunnen vinden bij PvdA-voormannen als Drees, Kok en Bos (4).
Johannes Calvijn (1509-1564) werd in Noyon (Noord-Frankrijk) geboren, studeerde
rechten, maar moest uit Frankrijk vluchten toen hij in de eerste helft van de
jaren dertig overging naar de Reformatie. Vanaf 1536 was Calvijn, theologisch
autodidact, als prediker en later als pastor werkzaam in Genève, dat kort
daarvoor tot de Reformatie was overgegaan. Hij bleef daar, alleen onderbroken
door een korte periode dat hij in Straatsburg predikant was, tot zijn
overlijden.
Hij ontwikkelde een koortsachtige activiteit door te preken, onderwijs te geven,
leiding te geven aan het kerkelijk leven, het schrijven van commentaren op
bijbelboeken en de studie met het oog op de ontwikkeling van zijn theologie.
Zijn belangrijkste werk werd de Institutie, een onderricht in de geloofsleer
waarvan de eerste editie verscheen in 1536 en dat bij herziening steeds verder
uitgroeide. Door een uitvoerige correspondentie was hij actief betrokken bij het
Europees theologische en kerkelijk leven.
Laten we enige ideeën van Calvijn over sociaal-economische vragen nader bezien
om na te gaan of er sporen van inhoudelijke verwantschap met sociaal-
democratische zienswijzen te vinden zijn.
Het geloof betrok Calvijn op de gehele samenleving en dat betekende dat hij
uitvoerig aandacht besteedde aan sociaal-economische vraagstukken (5). Meer dan
andere reformatoren stond Calvijn daarbij open voor de nieuwe tijd, waaronder
het opkomend kapitalisme en het handelsverkeer, zoals hij die kende uit de
plaatsen waar hij woonde. Hij sprak positief over de handel en de rol van het
geld omdat mensen daardoor met elkaar in contact kwamen en in elkaars goederen
konden delen. Hij brak met de middeleeuwse sociaal-economische ethiek door onder
voorwaarden het nemen van rente geoorloofd te achten.
Taak overheid
Maar, en dat is het cruciale punt, hij bleef een normatieve visie op de economie
houden. Dat hangt samen met zijn visie dat God de eigenaar van de aardse
goederen is en dat mensen als rentmeesters die goederen dienen te beheren naar
diens wil, dat wil zeggen volgens de regel van de liefde. Er is dus in Calvijns
visie geen sprake van dat mensen naar eigen goeddunken hun bezit kunnen beheren:
het is verbonden met sociale verplichtingen. Die regel van liefde impliceert dat
het bezit aangewend moet worden om de naaste te dienen en vooral de armen en
andere noodlijdenden. Steeds komt Calvijn daarvoor op. Hij vindt ook de inzet
van de kerk voor armen en voor een verdeling van goederen volgens de regel van
de liefde van wezenlijk belang. Ook de overheid moet getoetst worden op de vraag
of zij armen en andere nooddruftigen helpt. Meer dan eens was Calvijn
pleitbezorger bij het burgerlijk bestuur voor de armen en anderen in nood, zoals
vluchtelingen. Daarvan kende Genève als gevolg van de godsdienstvervolgingen er
zeer velen. Calvijn, zelf vluchteling ondersteunde een fonds voor vluchtelingen
dat een voor die tijd vergaande ondersteuning gaf (6).
Hoezeer Calvijn bezit verbond met sociale verplichtingen blijkt uit zijn
behandeling van het achtste gebod uit de tien geboden: ‘Gij zult niet stelen’.
Volgens hem is van stelen niet alleen sprake als regels van het geldend recht
worden overtreden, maar ook als bezit verworven wordt ten koste van anderen:
‘Wij zullen dus naar behooren aan het gebod gehoorzamen, wanneer wij, met ons
lot tevreden, geen andere winst pogen te behalen dan die betamelijk en
rechtmatig is; wanneer wij niet met onrecht begeeren rijk te worden en onzen
naaste niet van zijn vermogen zoeken te berooven, opdat het onze daardoor
aangroeie; wanneer wij er niet naar streven om wreede rijkdommen, die uit het
bloed van anderen geperst zijn, op te stapelen; wanneer wij niet onmatiglijk van
alle kanten door recht en onrecht, bezittingen samenschrapen om daardoor onze
hebzucht te vervullen of onzen lust tot verkwistingte te bevredigen.’
(Institutie boek II, hoofdstuk VIII, par.46).
Rechtvaardig loon
Betrouwbaarheid achtte Calvijn van wezenlijk belang in economische relaties en
speculaties veroordeelde hij fel. Hij kwam dan ook op tegen monopoloïde winsten,
voor een rechtvaardig loon, een rechtvaardige prijs en voor een prijscontrole op
de eerste levensbehoeften, in die tijd brood, vlees en wijn.
Zoals gezegd, Calvijn achtte het nemen van rente onder voorwaarden geoorloofd.
In zijn uitleg van die bijbelgedeelten waarin we het renteverbod vinden (zoals
Exodus 22:24, Leviticus 25: 35-38 en Deuteronomium 23:20-21) maakte Calvijn
duidelijk dat het hier een consumptief krediet betreft voor mensen in nood. Dit
onderscheidde hij van die vorm van lening, die als productief krediet getypeerd
kon worden en waardoor mensen met behulp van geleend geld extra inkomsten
kregen. Dan was het vragen van rente niet onbillijk. Voor Calvijn bleef staan
dat van een arme geen rente gevraagd mocht worden. Voor productief krediet
moeten restricties gelden om woeker (excessieve rente) tegen te gaan. Op zijn
aandringen voerde het gemeentebestuur een laag wettelijk toegestaan tarief van
vijf pro cent, later 6,66 procent in (7).
In zijn sociaal-economische beschouwingen beklemtoonde Calvijn dat mensen
mochten genieten van Gods goede schepping. Voedsel, kleding en andere goederen
waren er niet alleen om te gebruiken ten einde te kunnen leven, maar ook om van
te genieten. Hij pleitte echter wel voor maat houden, soberheid, matigheid, het
tegengaan van de lust van het vlees en grote overvloed (8). Calvijn deed dit
omdat hij dacht dat te veel nadruk op consumptie en het najagen van meer geld
mensen afleidde van God. In Genève kwamen er, overigens niet alleen op
aandringen van Calvijn, beperkende bepalingen op het gebruik van drank, dansen,
overdaad aan eten, drinken en kleding bij festiviteiten en het dragen van gouden
of zilveren kettingen en andere juwelen (9). Dat wekte jaloezie op en voorts
achtte Calvijn het niet juist dat terwijl veel mensen in armoede leefden anderen
in weelde baadden. Zijn visie kan men het best typeren met de woorden ‘geen
ascetisme en geen overmaat’ en ‘vreugdevolle soberheid’.
Zelfverrijking
We zouden het zo kunnen zeggen: Calvijn pleitte voor een solidaire economie,
waarin voorrang gegeven moest worden aan de arme. Het beheer van bezit, het
optreden van de kerk en het beleid van de overheid moeten als het om de economie
ging onder dat voorteken staan. Zelfverrijking was gevaarlijk, omdat ze het
zicht van de mens op zijn bestemming kon ontnemen. En als ze ten koste van
anderen ging, was ze verwerpelijk.
Deze gedachten, zo voeg ik er aan toe, waren ingebed in een visie waarin de
standen als door God gegeven werden gezien. De dynamiek van de onderliggende
visie kon deze begrenzing echter meer dan eens doorbreken, zodat, zoals
Troeltsch constateert, tegenover het moderne kapitalisme het calvinisme kon
omslaan in een christelijk socialisme (10). Jeannine Olson concludeert in haar
geciteerde studie zelfs dat het calvinisme meer gekenmerkt werd door een strijd
tegen armoede dan door een rechtvaardiging van het nemen van interest of het
maken van winst (11). Een hedendaags voorbeeld is de scherpe veroordeling in
2004 door calvinistische kerken, die samenwerken in de World Alliance of
Reformed Churches, van de neo-liberale globalisering omdat deze ten koste gaat
van armen en het milieu (12).
In dat alles ligt een duidelijke affiniteit met sociaal-democratische inzichten
van reformistische snit: erkenning van de betekenis van de markt, maar deze
behoort wel in een kader te staan van veranwoordelijkheid en een behoorlijk
levenspeil en bestaanszekerheid voor een ieder. Speciale aandacht behoeft
daarbij de positieverbetering van de armen.
Maar kunnen we iets met de tirades tegen de weelde en de lust van het vlees? Bij
menigeen zal dat benauwende associaties met dwang en onvrijheid oproepen. Toch
zit er meer in dan ook veel sociaal-democraten beseffen. Principieel heeft de
sociaal-democratie allerlei vormen van rijkdom, zeker als deze voortkwamen uit
factoren die niet op verdienste teruggevoerd konden worden, zoals het sociaal
milieu, veroordeeld en bestreden. Voorts is er aanknopingspunt te vinden in de
door Den Uyl met kracht naar voren gebrachte notie van ‘de kwaliteit van het
bestaan’. Hij keerde zich daarbij ‘tegen het ongeremd laten voortgaan van een
ontwikkeling waarin de voorziening in essentiële behoeften achterop raakt, de
ongelijkheid wordt vergroot en verspillingen in de luxe-sfeer schril afsteken
tegen de armetierigheid van vele gemeenschappelijke voorzieningen.’ Tevens
merkte hij op dat groei van het reële nationale inkomen per hoofd van de
bevolking op zichzelf geen waarborg was voor de psychische welvaart, voor de
verbetering van de kwaliteit van het bestaan. Daarom was een bewuste keuze van
de besteding van de toeneming van de welvaart nodig (13).
Te veel welvaart
Ook Calvijns inzicht dat te veel welvaart, afleidt van het zicht op God, laat
zich veralgemeniseren: terwijl allerlei onderzoek uitwijst dat boven een gegeven
niveau van materiële welvaart toename in inkomen op zijn hoogst zwak correleert
met toename van geluk en soms zelfs negatief is, blijft dit streven dominant in
middengroepen en onder rijken. Andere factoren, zoals familierelaties, hebben
echter meer invloed op het welbevinden. Zoals ‘geluksonderzoeker’ Layard
opmerkt: ´Mensen (in Amerika en Groot-Brittannië, HN) hoeven niet meer te
knokken om in leven te blijven zoals het eigenlijk altijd was in de
geschiedenis. We kunnen nu kiezen wat we willen. De juiste keus te maken is het
probleem’ (14) .
Dit roept de vraag op wat het leven waardevol en zinvol maakt. Kritische
bezinning hierop kan helpen om de eenzijdige fixatie op materiële
welvaartsvergroting te doorbreken. Ook om praktische redenen (milieu!) is dit
een bittere noodzaak.
Het door het calvinisme geïnspireerde socialisme is in Nederland slechts een
kleine stroming gebleven. Denk aan de Bond van Christen-Socialisten (BCS), die
van 1907 tot 1921 bestond. Hij richtte zich in zijn eerste fase op het winnen
van orthodoxe protestanten voor het socialisme. Eén van de belangrijkste
personen uit deze periode, de onderwijzeres en schrijfster Anke van der Vlies (schrijfstersnaam
Enka), typeerde de leden eens met de woorden: ‘Ons type was Calvinistisch stoer,
nuchter, maar onverzettelijk in onze overgegevenheid aan het
christen-socialistisch beginsel.’
En over wat haar bewoog: ‘Gelijk God zijn eigen doel is, zoo stelt het
Christendom als hoogste doel van ‘t christenleven: de verheerlijking Gods. Het
is de schoonheid van het Calvinisme, dat het deze waarheid tot het hart van zijn
dogmatiek heeft gemaakt. Indien dan Gods eere ons hoogste levensdoel is, hoe
zouden wij niet strijden tegen een maatschappelijk stelsel, dat de z.g.
Christelijke cultuur tot mammonisme stempelt, en de permanente ontheiliging is
van den heiligen Naam?’ (15).
Nadat de BCS door interne verdeeldheid uit elkaar gespat was, werd de fakkel in
1926 overgenomen door de Christelijk-Democratische Unie (CDU), die zich niet
expliciet socialistisch noemde, maar wel veel raakvlakken had met de SDAP. Deze
altijd klein gebleven partij, die niet meer dan twee Kamerzetels zou veroveren,
ging in 1946 over in de PvdA. Op het stichtingscongres van de nieuwe partij zei
de CDU-vertegenwoordiger R. van der Brug onder meer: ‘Eerst dan, wanneer ons
volk het aanvoelt, dat de P.v.d.A. begonnen is om waarheid, gerechtigheid en
naastenliefde aan te kweken, pas dan zal het Nederlandse volk in deze partij
zien de beweging, die aanspraak maakt op de sympathie en de steun van allen, die
het om een betere, een meer christelijke samenleving te doen is dan die, waarin
wij nu leven’(16).
Ook in de moderne geschiedenis is het met het calvinisme verbonden socialisme in
Nederland terug te vinden.
Tot slot. Op 21 september sprak Wouter Bos over ‘Sociaal-democratie en de
crisis’ in het kader van de door het oecumenisch diaconaal centrum Stem in de
Stad te Haarlem georganiseerde stadslezingen. Hij zei daarin onder meer: ‘Bij
beschaving hoort ook dat we ons niet slechts op de korte termijn richten maar
oog houden voor de lange termijn. Dat we ons niet slechts laten leiden door
hebzucht maar veeleer door deugden als matiging en verantwoordelijkheid en dat
we excessieve ophoping van kapitaal en inkomen veroordelen zeker als het gepaard
gaat met grote ongelijkheid en schrijnende armoede elders.’
Na wat boven is gezegd, zal duidelijk zijn dat Calvijn deze woorden gesproken
zou kunnen hebben.
Noten
1
Zie: Herman Noordegraaf, ‘Calvijn, calvinisten en kapitalisme’, in: Rinse
Reeling Brouwer e.a. (red.), Het calvinistisch ongemak. Calvijn als erflater en
provocator van het Nederlandse protestantisme, Kampen 2009, pp. 201-216.
2 Ernst Troeltsch, Die Soziallehren der christlichen Kirchen und Gruppen, Aalen
1977 (eerste uitgave 1912), pp. 676-678.
3 André Bieler, L’humanisme social de Calvinisme, Paris 1961, pp. 35 en 85;
Elsie Anne McKee, John Calvin on the diaconate and liturgical almsgiving, Genève
1984, pp. 123/124 (‘...in fact one can find in the Reformed (= calvinistische,
HN) tradition the roots of Christian socialism quite as easily as those of
capitalism.’)
4 W. Nijenhuis, Hoe calvinistisch zijn wij Nederlanders?, Amsterdam 1994, pp.
15/16; Lodewijk Drost e.a., Hoe calvinistisch zijn wij? De C-factor van
Nederland, Kampen 2009, pp. 37/38.
5 Een standaardwerk is de monumentale studie van de eerder genoemde André Bieler:
La pensée économique et sociale de Calvin, Genève 1959. In 2008 verscheen een
herdruk; in 2005 was een Engelse vertaling gepubliceerd.
6 Zie over het vluchtelingenfonds: Jeannine E. Olson, Calvin and Social Welfare,
London/Toronto 1989.
7 Uitvoerig over Calvijns visie op rente: Bieler (noot 6), pp. 455 e.v..
8 Zie de befaamde passages in Calvijns Institutie boek III, hoofdstuk X, par. 2
en 3.
9 Herman J. Selderhuis, Calvijn een mens, Kampen 2008, pp. 230/231.
10 Troeltsch (zie noot 2), p. 721.
11 Jeannine E. Olson (zie noot 6), p. 167.
12 Zie voor het uitvoerige debat in kerken en de internationale oecumenische
beweging over globalisering: Greetje Witte-Rang/Hielke Wolters, Uitsluitend
participatie. Theologische overwegingen bij globalisering, Zoetermeer 2005 (over
de verklaring van de WARC: pp. 203-211).
13 J.M. den Uyl, Inzicht en uitzicht. Opstellen over economie en politiek,
Amsterdam 1978, pp. 126 resp. 123. Den Uyl schreef dit in 1963.
14 Richard Layard, Happiness. Lessons from a New Science, London 2005, p.74.
15 A. Tjaden-van der Vlies, Religieus-Socialistische Stroomingen in Nederland,
Baarn 1920, pp. 11 en 13.
16 H.J. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie
1926-1946, ‘s-Gravenhage 1988, p. 420.
|