|
Door Herman Noordegraaf
Werkloosheid. Over Ida Gerhardt
Werkloosheid
Drie jaar nu al. Ik kom nog in ‘t gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
‘t Is of de meid het woord niet tot mij richt.
Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m’n vak gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.
Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
‘God zal u, als op adelaarsvleugelen dragen.’
Maar ik heb zitten zweten als een beest.
Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.
Rotterdam, 1933, 1934, 1935(1)
Op 6 juli 1933 behaalde Ida Gerhardt (1905-1997) in Utrecht haar doctoraal examen Klassieke Letteren met als hoofdvak Latijn en met bijvakken Grieks en Oude Geschiedenis. De vreugde was echter van korte duur. Het jaar 1933 was, zoals ze schreef in een brief, ‘het openingsjaar voor werkeloze afgestudeerden.’ Voor werkloze leraren en zeker voor classici was de kans op het krijgen van een baan vrijwel uitgesloten.(2) Gerhardt werd één van de naar schatting 350.000 werklozen die Nederland in dat jaar telde. Wat was hun perspectief? De jonge protestants-christelijke schrijver H.M. van Randwijk gaf dat in zijn roman Burgers in nood goed aan met de titels van de drie delen van zijn roman: ‘Willem Verdoorn gaat stempelen’, ‘Willem Verdoorn stempelt’ en ‘Willem Verdoorn stempelt nog’.(3)
Ook Ida Gerhardt solliciteerde zonder succes en kwam niet verder dan het geven van enige privaatlessen. Haar vriendin Marie van der Zeyde schreef over deze tijd:
Een somber schemerdonker, waarin werkloosheid het beeld volledig beheerste: men zag de armoede, de ontmoediging, de troosteloosheid van jaar tot jaar toenemen. Alternatieve werkmogelijkheden waren er niet, en of wij er nog eens ooit ‘in’ zouden komen, leek geheel onzeker.(4)
In 1936 lukte het Gerhardt toch om op het Stedelijk Gymnasium in Groningen een tijdelijke aanstelling te krijgen voor zestien uur in de week; later werd haar aanstelling verlengd en het aantal uren uitgebreid. Tot haar grote geluk kon zij na beëindiging van haar aanstelling in 1939 een vaste baan aan het Gemeentelijk Lyceum in Kampen krijgen.
Hoe zij haar periode van werkloosheid beleefd heeft, vinden we terug in enige gedichten in haar in 1951 gepubliceerde bundel Sonnetten van een leraar, die in 1952 herdrukt werd, die herzien werd opgenomen in Vroege verzen (1978) en die we in deze laatste versie vinden in haar Verzamelde Gedichten 1.
In het in de bundel opgenomen sonnet ‘Departement’ geeft zij een beeld van haar sollicitatiebezoeken aan het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, waar soms honderdtwintig sollicitanten voor één vacature opkwamen:
Ontschoei uw handen, wanneer gij zijt aangeland
in ‘t fluisterhuis, waar – in het zwart – stoeten genoden
u vóór zijn. Uren kucht de hangklok aan de wand
eer er weer één tot Hades’ kameren wordt ontboden.(5)
Haar hopeloosheid en de impasse waarin zij was geraakt, heeft Gerhardt scherp onder woorden gebracht in haar gedicht ‘Werkloosheid’. De jaartallen onder het gedicht, afzonderlijk genoteerd, duiden op een zich voortslepende situatie. De twee kwatrijnen geven haar wanhoop aan. Zij voelt zich overbodig, minderwaardig, nutteloos en teveel – gevoelens en gedachten die doorwerken in hoe zij denkt dat anderen, haar gezinsleden en de meid, haar zien. Moet zij dan maar een baan gaan zoeken bij de tabaksfabriek Van Nelle en is haar studie daarmee voor niets geweest? Als het zo doorgaat, wordt zij daarvoor onderhand te oud.
In het volgende sextet beschrijft zij een existentiële ervaring opgedaan tijdens het bijwonen van een kerkdienst.(6) Een deel van haar jeugd had Gerhardt in Rotterdam gewoond. Het vrijzinnig-protestants gezin kerkte in de remonstrantse kerk. Ida heeft er nog catechisatie gevolgd bij de bekende predikant J.C.A. Fetter. In 1935 was zij, gedwongen door de omstandigheden (onvoldoende inkomen) opnieuw bij haar vader en jongste zus in Rotterdam gaan wonen (haar moeder was inmiddels overleden). Zij bezocht toen weer de diensten in de remonstrantse kerk. In één van die diensten preekte de predikant over Gods zorg voor het volk Israël, dat Hij beschut en bewaart. Zijn tekst was een vers uit het lied van Mozes:
Als een arend, die zijn broedsel opwekt,
over zijn jongen zweeft,
zijn wieken uitspreidt, er een opneemt,
en draagt op zijn vlerken.
(Deuteronomium 32,11)
Deze woorden ter troost en bemoediging werkten bij haar averechts: het zweet brak haar uit. Dat gebeurde ook onder het zingen – het is geen gewaagde veronderstelling om daarbij te denken aan het bekende ‘Lof zij den Heer’. Daarin vinden we in het vierde vers de regel: ‘die ook uw leven op adelaarswiek heeft gedragen.’(7) Niets geen vrije vlucht in het vertrouwen dat je gedragen wordt als je valt. Dat alles was immers in groteske tegenspraak met de zelfmoord van een wanhopige werkloze. Zij vereenzelvigt zich met het bittere lot van deze werkloze en werd daarbij ook bepaald bij haar eigen situatie zonder uitzicht. Het geloof bood geen troost, want bleek in die situatie een leugen te zijn!
Haar diepe frustraties hadden een materiële en immateriële component. Natuurlijk: het niet zelf kunnen voorzien in haar levensonderhoud, maar ook het besef niet bij te kunnen dragen aan de samenleving. Dit laatste werd versterkt omdat zij een sterk roepingsbesef had. Het leraarschap zag zij als een mogelijkheid om vanuit het levend contact met de bronteksten van de beschaving leerlingen in staat stellen de diepere spirituele levenswaarden op het spoor te komen en zich eigen te maken. Zij wilde middelaar zijn in een culturele traditie.(8)
Dat motiveerde haar ook om, nadat zij in 1963 vervroegd met pensioen was gegaan, nog Hebreeuws te gaan studeren. Daarna wijdde zij met Marie van der Zeyde enige jaren aan de vertaling van de psalmen, die in 1972 uitkwam. In hun ‘Korte verantwoording’ betitelen ze ‘een niet gering aantal psalmen’ als bij uitstek actueel:
Dit lijden, deze strijd, deze ontzetting en verontwaardiging – zij zijn blijkbaar, na meer dan vijfentwintig eeuwen, nog immer onveranderd in het mensenleven aanwezig.(9)
Ook haar dichterschap stond onder het voorteken van de roeping om middelaar te zijn. Zij plaatste zich daarbij in haar maatschappijkritisch engagement in de traditie van het religieus socialisme. In 1933 was zij lid geworden van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (‘de AG’), waarvan W. Banning de bezielende directeur was. Marie van der Zeyde was al lid van de AG en publiceerde vanaf 1935 regelmatig in het tijdschrift van de AG, Tijd en Taak, dat uitdrukkelijk aandacht wilde besteden aan socialisme, religie en cultuur. Later was Marie van der Zeyde werkzaam op het centrum van de AG in Bentveld. Ida Gerhardt is haar dichtersloopbaan begonnen in Tijd en Taak. Het eerste gedicht dat zij publiceerde, ‘Kinderspel’, vinden we in Tijd en Taak van 27 juni 1936 – al spoedig volgden meer gedichten.(10)
Terug naar ons gedicht: ‘Werkloosheid’ is een aanklacht tegen de vloek van de werkloosheid en eindigt in een zwart gat. Juist in de schrijnendheid van het gebeuren roept het de lezer echter op tot verontwaardiging en verzet. Dit mag en kan niet het laatste woord zijn! En is dit ook weer niet een geloofsuitspraak?
Deze tekst is overgenomen uit: Theo Hettema (red.), Het geloof van de poëzie. Godsdienstfilosofische bijdragen voor Han Adriaanse, Amsterdam: Olive Press, 2010.
1) Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten I, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1997, 126.
2) Mieke van den Berg,Dirk Idzinga, Trots en in zichzelf besloten. Ida Gerhardt. Afkomst en eerste deel van haar leven, Kampen: Ten Have, 2005, 136.
3) H.M. Van Randwijk, Burgers in nood, Nijkerk: Callenbach, 1936.
4) Van den Berg, Idzinga, Trots, 140.
5) Gerhardt, Verzamelde gedichten I, 119.
6) Van den Berg, Idzinga, Trots, 83, 144-146.
7) Zie nu voor de aangepaste versie lied 434 in het Liedboek voor de kerken, vers 2.
8) Frans Berkelmans, Kwatrijnen, sonnetten & kleengedichtjes. Over drie genrebundels van Ida Gerhardt, Egmond-Binnen: Abdij van Egmond, 2000, 96.
9) Ida Gerhardt / Marie H. van der Zeyde, De Psalmen. Uit het Hebreeuws vertaald, z.p.: Katholieke Bijbelstichting/Nederlands Bijbelgenootschap, 1972, 5.
10) Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 11.
|