Karel Blei bij Protestantse Werkgemeenschap:
‘Angst voor moslims bedreigt Nederlandse identiteit’
Door Johan van Workum
‘De Nederlandse identiteit wordt bedreigd door
een poging juist deze identiteit te behouden.’ Tot deze stelling kwam dr. Karel
Blei, oud-secretaris-generaal van de Nederlandse hervormde kerk. Uit angst dat
door moslims en fundamentalisten Nederland niet zichzelf zal blijven, raakt de
godsdienstvrijheid, ook een pijler onder de Nederlandse identiteit, onder druk.
De verhouding tussen kerk en staat in een
multireligieuze samenleving’ was het thema van een inleiding van Karel Blei op
de najaarsbijeenkomst van de Protestantse Werkgemeenschap voor de PvdA. ‘De’
scheiding van kerk en staat bestaat niet. In alle Europese landen is het weer
anders en ook in het Nederland van de republiek en daarna de monarchie is die
scheiding voortdurend aan verandering onderhevig geweest.
Sinds Pim Fortuyn is er veel discussie over de
Nederlandse identiteit, aldus Blei. ‘Door de angst voor moslimfundamentalisten
en voor het groeiend aantal moslims dreigt nu de godsdienstvrijheid onder druk
te komen. Er gaan stemmen op om de vrijheid van onderwijs te beperken want
islamitische scholen zouden de integratie belemmeren. Het terugsturen van
asielzoekers gaat soms met onmenselijkheden gepaard. Minister Verdonk loopt nu
met plannen rond om buitenlandse imams te laten toetsen op hun kennis van de
Koran. Maar hoe zou de Nederlandse staat dat moeten doen: een ministerie voor
godsdienstzaken oprichten, zoals Turkije heeft? Zo wordt bedreigd wat men juist
poogt te behoeden.’ Kamerleden van CDA, GroenLinks en Christenunie trokken bij
het idee van toetsen van imams al aan de bel dat dit de scheiding van kerk en
staat aantast.
Dr. Karel Blei gaf in grote sprongen de
geschiedenis van de verhouding tussen kerk en staat. Nadat keizer Constantijn
in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst had gemaakt, waren staat
en kerk één werkelijkheid. Keizer en patriarch woonden onder het Byzantijnse
rijk ook dicht bij elkaar in Constantinopel. En nog steeds ziet in de oosterse
orthodoxie de kerk zich als hoedster en garant van de nationale identiteit van
de landen. In West-Europa ontstond na het ineenzakken van het Romeinse rijk een
machtsvacuüm en werd de kerk gedwongen op eigen benen te staan. In de
Middeleeuwen moesten vorsten zich tegenover de paus verantwoorden maar waren
zij ook tegenspelers (de ‘gang naar Canossa’ van de Duitse keizer Hendrik IV in
1077).
Onder de Republiek hadden de Nederlanden één
godsdienst in één staat. De kerk gold min of meer als de vertegenwoordiger van
het volk. De Staten-Generaal vonden de kerk nuttig voor de eenheid, maar
hielden haar ook graag kort. De negentiende eeuw bracht zowel een formele
scheiding van kerk en staat als een grotere feitelijke bemoeienis van de staat
met de kerk. Koning Willem I bijvoorbeeld stelde eigenhandig de kerkorde van de
Nederlandse hervormde kerk vast en benoemde de leden van de kerkorganen.
Feitelijk was de hervormde kerk toen nog meer staatskerk dan onder de
Republiek.
Vandaag is er meer dan tevoren sprake van meer
godsdiensten in één staat. De staten zelf zijn gedemocratiseerd en het idee dat
de kerk het volk vertegenwoordigt is weg. De kerken zijn in Nederland
gemarginaliseerd, het zijn niet-gouvernementele organisaties, NGO’s, geworden.
Maar ook de identiteit van Nederland wordt anders opgevat dan voorheen. Vóór de
Tweede Wereldoorlog ging het eerste artikel van de Nederlandse grondwet over
het grondgebied, dat behoed moest worden. Vandaag gaat het over de gelijke rechten
van alle ingezetenen en over het verbod op discriminatie. ‘Niet de integriteit
van het grondgebied maar de integriteit van de mens bepaalt nu het begrip
identiteit,’ aldus Blei.
Uit de discussie kwam naar voren dat het zaak
is onderscheid te maken tussen staat en kerk als instituten, en tussen overheid
en godsdienst of levensovertuiging - de kerk dus als organisme. Minister Donner, vindt Karel Blei, verwijt ten onrechte de kerken dat ze terug willen
naar de Middeleeuwen als ze de overheid aanspreken op bijvoorbeeld de
behandeling van asielzoekers. Blei: ‘Natuurlijk willen kerken niet op de stoel
van de regering gaan zitten. Maar het Evangelie heeft ook betrekking op de
samenleving en gaat ook over waarden. Kerken mogen staten aanspreken op
bijvoorbeeld mensenrechten, ofwel op de geestelijke grondslagen van die staat.’
Blei verzette zich tegen opvattingen van Paul Cliteur en August Hans den Boef, dat de overheid in het geheel geen relaties
hoort te hebben met kerken of godsdienstige organisaties. Cliteur noemde het
bijvoorbeeld ‘het paard achter de wagen’ als een gemeente, zoals burgemeester
Cohen van Amsterdam wil, aan moskeeën verbonden organisaties van islamitische
migranten wil inschakelen in het integratiebeleid, omdat juist via die
organisaties deze groepen kunnen worden bereikt. ‘Een dergelijke agressieve
opvatting van ‘laïcité’ is in strijd met onze grondwet. Er moet ruimte zijn
voor álle opvattingen.’ Het gaat niet aan om één opvatting, bijvoorbeeld een
atheïstische, agressief op te leggen aan anderen of aan de staat.
|